Is artikel 6:247 lid 2 BW in strijd met artikel 56 VWEU (vrij verk…

expertise:

Ondernemingsrecht - M&A

nieuwsbrief:

Wilt u meer weten over dit onderwerp, schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

29 juli 2022

Daarover heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich uitgelaten in een tussenuitspraak d.d. 17 mei 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:1547).

Deze zaak betreft een geschil tussen twee ondernemers – appellante en geïntimeerde – die een overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan appellante betonpuin diende te breken op de luchthaven van Keulen.

Appellante beroept zich in dit geschil op haar algemene voorwaarden. In artikel 2 van deze voorwaarden is een verrekeningsbeding opgenomen. Geïntimeerde beroept zich op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:233 jo 6:234 BW.

Appellante stelt dat geïntimeerde op grond van artikel 6:247 lid 2 BW geen beroep toekomt op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden: Geïntimeerde is gevestigd in Duitsland. Dit betekent dat afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing is, aldus appellante.

Het hof stelt voorop dat artikel 6:247 lid 2 BW bepaalt dat afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing is op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland zijn gevestigd, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Geïntimeerde is een rechtspersoon naar Duits recht en is gevestigd in Duitsland. Dit betekent dat op grond van artikel 6:247 lid 2 BW afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing is op de overeenkomst tussen appellante en geïntimeerde en dat geïntimeerde dus geen beroep op artikel 6:233 aanhef en onder b jo. 6:234 BW toekomt. Hieraan doet niet af dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. In artikel 6:247 lid 2 BW is immers uitdrukkelijk bepaald dat afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing is op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland zijn gevestigd, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.

Het hof constateert dat het enkele feit dat geïntimeerde in Duitsland is gevestigd, op grond van artikel 6:247 lid 2 BW betekent dat zij geen beroep kan doen op de aan een Nederlandse wederpartij toekomende vernietigingsmogelijkheid van artikel 6:233 aanhef en onder b jo. 6:234 BW. De regeling van artikel 6:247 lid 2 BW maakt dus onderscheid naar gelang de verblijfs- of vestigingsplaats van partijen. Dit roept volgens het hof de vraag of het bepaalde in dit artikel in strijd is met het Europeesrechtelijke discriminatieverbod en de bepalingen over het vrij verkeer van goederen en diensten in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: “VWEU”). Het gaat hierbij in het bijzonder om artikel 56 VWEU (vrij verkeer van diensten). In dit artikel is bepaald dat binnen de Europese Unie beperkingen op het vrij verrichten van diensten verboden zijn ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. De overeenkomst tussen appellante en geïntimeerde betreft dienstverlening in de zin van artikel 57 VWEU, te weten dienstverrichtingen (het door appellante ten behoeve van geïntimeerde verrichten van puinbreekwerkzaamheden) die gewoonlijk tegen vergoeding plaatsvinden.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat artikel 56 VWEU zich verzet tegen elke nationale regeling die ertoe leidt dat het moeilijker wordt om diensten te verrichten tussen lidstaten dan binnen een en dezelfde lidstaat. Artikel 56 VWEU vereist namelijk de afschaffing van elke beperking van het vrij verrichten van diensten die wordt opgelegd op grond van het feit dat de dienstverrichter in een andere lidstaat is gevestigd dan die waar de dienst wordt verricht.

In het onderhavige geval is de ontvanger van de diensten (geïntimeerde) niet in Nederland gevestigd en dus kan hij vanwege het bepaalde in artikel 6:247 lid 2 BW geen gebruik maken van de vernietigingsmogelijkheid in van artikel 6:233 aanhef en onder b jo. 6:234 BW. Dit betekent dat hij minder bescherming geniet dan een in Nederland gevestigde ontvanger van de dezelfde diensten. Gezien de hiervoor bedoelde jurisprudentie van het Hof van Justitie, maakt dit volgens het hof de vraag gerechtvaardigd of artikel 6:247 lid 2 BW een beperking is van het vrij verkeer van diensten tussen de lidstaten zoals bedoeld in artikel 56 VWEU.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt voorts dat een beperking van het vrij verkeer van diensten tussen de lidstaten niettemin kan worden toegestaan indien deze gerechtvaardigd wordt door dwingende vereisten van algemeen belang en voor zover de toepassing ervan geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat artikel 6:247 lid 2 BW is opgenomen ter bevordering van een vlot handelsverkeer. Het is volgens het hof de vraag of het doel dat de wetgever met artikel 6:247 lid 2 BW heeft willen nastreven maakt dat als sprake is van een beperking van het vrije verkeer van diensten, deze beperking gerechtvaardigd wordt door de dwingende vereisten van algemeen belang in de zin van de hiervoor genoemde jurisprudentie.

Het antwoord op de vraag of – kort gezegd – artikel 6:247 lid 2 BW in strijd is met het bepaalde in artikel 56 VWEU, is van belang om op de vordering van appellante te beslissen. Indien artikel 6:247 lid 2 BW niet in strijd is met artikel 56 VWEU, kan geïntimeerde immers geen beroep doen op vernietiging van de TLN-voorwaarden op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b jo. 6:234 BW en geldt het verrekeningsverbod in artikel 2 van de TLN-voorwaarden.

Het antwoord op de vraag of artikel 6:247 lid 2 BW in strijd is met het bepaalde in artikel 56 VWEU is ook rechtstreeks van belang voor alle zaken waarin een Nederlandse (rechts)persoon zaken doet met een buitenlandse rechtspersoon. Indien artikel 6:247 lid 2 BW in strijd is met artikel 56 VWEU, betekent dit dat afdeling 6.5.3. BW ook in die gevallen van toepassing is en dat partijen onder andere een beroep kunnen doen op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:233 jo 6:234 BW.

Het hof overweegt dan ook dat het voornemens is om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad (ingevolge artikel 392 Rv) of aan het Hof van Justitie (ingevolge artikel 267 VWEU).

Het hof verwijst de zaak naar de rol voor uitlating door partijen over, kort gezegd, het voornemen van het hof om prejudiciële vragen te stellen.

Meer informatie

Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog of heeft u andere ondernemingsrechtelijke vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op Marc Janssen of andere leden van de sectie Ondernemingsrecht.