Wetsvoorstel herziening kinderalimentatie

donderdag, 19 februari 2015

Op 18 februari 2015 hebben Jeroen Recourt (PvdA) en Ard van der Steur (VVD) een wetsvoorstel ingediend tot herziening van de kinderalimentatie. Hierbij de belangrijkste punten uit het voorstel op een rij:

  • De berekeningsmethode wordt vastgelegd in een Algemene maatregel van bestuur.
  • De alimentatieverplichting voor kinderen gaat omhoog van 21 jaar naar 23 jaar met als voorwaarde dat het kind studeert of naar school gaat. In andere gevallen houdt de verplichting bij 18 jaar op.
  • De stiefouderverplichting komt te vervallen.
  • Verplichtingen ten opzichte van kinderen uit een latere relatie hebben geen effect op de financiële verplichtingen uit een eerdere relatie.
  • Ouders zullen een minimumbijdrage verschuldigd zijn (€ 50,- voor iedere ouder). Daartoe zal er een bepaling in de wet worden opgenomen waarin staat dat de ouders verplicht zijn bij te dragen in het levensonderhoud van hun kinderen, ongeacht hun draagkracht.
  • Via een Kinderalimentatierekentool (KART) moet het voor de meeste ouders mogelijk worden de kinderalimentatie zelf te berekenen.
  • Er zal nog meer dan nu bij de berekening uitgegaan worden van forfaitaire uitgangspunten.
    Het betreft:
    - de behoefte van het kind (een percentage van het alimentatie-inkomen voor de scheiding);
    - de draagkracht per ouder;
    - het percentage van het verblijf van het kind bij de ouders;
    - de kindgebonden kosten; 
  • Kinderbijslag en kgb worden bij het inkomen opgeteld van de ouder bij wie de kinderen volgens de basisregistratie verblijven.
  • Onderscheid wordt gemaakt tussen kindgebonden kosten en verblijfskosten. Wettelijk uitgangspunt wordt dat de kindgebonden kosten (de kosten die niet samenhangen met het verblijf van de kinderen bij een ouder) worden gedragen door de ouder bij wie de kinderen volgens de basisregistratie hun hoofdverblijf hebben.
  • In de voorgestelde rekenmethodiek wordt rekening gehouden met het verblijf van de kinderen bij iedere ouder, het zogeheten verblijfspercentage. Het betreft een forfaitair percentage gebaseerd op het verblijf van de kinderen bij iedere ouder.
  • Aan de kinderalimentatievordering wordt preferentie toegekend.
  • De invoering van een verwijtbaarheidstoets en een sanctiebepaling. Heeft een ouder op het moment van vaststelling van de alimentatie verwijtbaar een lager inkomen, dan zijn de inkomsten van zes maanden eerder van toepassing. Als de ouders of één van hen onvoldoende inzicht geven in hun inkomsten kan een sanctie worden opgelegd. Deze houdt in dat de behoefte van rechtswege op het maximale bedrag wordt vastgesteld. De ouder die wel voldoende inzicht geeft, hoeft slechts het minimumbedrag van € 50,- te betalen. De andere ouder het resterende bedrag. Geven beide ouders onvoldoende inzicht, dan dienen beiden voor de helft de behoefte te dragen.
  • De mogelijkheden van wijziging van de kinderalimentatie worden beperkt.
  • Er wordt een hardheidsclausule ingevoerd.
  • Adviesfunctie LBIO bij de berekening van kinderalimentatie.
  • De nieuwe rekenmethode zou gaan gelden voor ‘nieuwe gevallen’ waarbij de datum van ontvangst van het verzoekschrift bepalend is.
Auteur