Wet Normering Topinkomens II

donderdag, 18 december 2014

De wetgever heeft haar pijlen gericht op het aan banden leggen van exorbitant hoge inkomens in de publieke en semipublieke sector. Na de reeds in werking getreden Wet Normering Topinkomens I, beoogt de wetgever de regels hieromtrent verder aan te scherpen in de aanstaande Wet Normering Topinkomens II. Het was de bedoeling dat het striktere wetsvoorstel op 1 januari 2015 in werking zou treden, echter is tijdens de wetgevingsprocedure in de Eerste Kamer op 9 december jl. besloten om de behandeling van het voorstel uit te stellen. Ruim een week later werd toch besloten om de behandeling en eventuele stemming in 2014 te laten plaatsvinden, namelijk op 22 december aanstaande. Hierdoor is inwerkingtreding op korte termijn dus mogelijk weer haalbaar. In deze bijdrage wordt de inhoud van de Wet Normering Topinkomens II bekeken, evenals het verloop van een deel van de wetgevingsprocedure.

De Wet Normering Topinkomens (WNT) I is op 1 januari 2013 ingevoerd met als doel om bovenmatige beloningen en ontslagvergoedingen bij instellingen in de (semi) publieke sector tegen te gaan (*1). Beoogd wordt om de bezoldigingen van topfunctionarissen naar een maatschappelijk meer aanvaardbaar en verantwoord niveau te brengen. Inkomens en ontslagvergoedingen van topfunctionarissen van publieke instellingen worden genormeerd en openbaar gemaakt. De hoogte van het inkomen is genormeerd op 130% van het ministersalaris. In 2014 bedroeg de maximale bezoldiging voor topfunctionarissen dan ook maximaal €230.474,- en voor 2015 is deze vastgesteld op €228.719,- (*2). De openbaarmaking van de topinkomens bestaat uit een publicatieplicht van de WNT-gegevens in de jaarstukken en de verplichting om deze gegevens te melden aan de minister. Bonussen en andere variabele bronnen van inkomsten zijn niet toegestaan.

Gevreesd werd dat de WNT gemakkelijk te omzeilen zou zijn door het opvoeren van allerlei werkkosten aan de werkgever. De minister stelt dat hier geen sprake van is omdat dergelijke kostenvergoedingen vallen onder een zogenoemd gebruikelijkheidscriterium (*3). Dit houdt in dat dergelijke loonbestanddelen niet in belangrijke mate hoger mogen zijn dan in andere overeenkomstige gevallen gebruikelijk is (*4). Uit de eerste WNT-jaarraportage van minister Plasterk van Buitenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt bovendien dat de WNT in belangrijke mate nageleefd wordt. Maar liefst 95% van de topfunctionarissen in de (semi) publieke sector werkte in 2013 onder de norm van de WNT (*5). In de meeste gevallen waarbij niet voldaan werd aan de norm van de WNT (5% van de topfunctionarissen) viel men onder het overgangsrecht. In enkele gevallen wordt het te veel betaalde geld teruggevorderd.

Ondanks het klaarblijkelijke succes van de WNT I vond de wetgever de maatregelen in deze wet niet toereikend. Het wetsvoorstel van de WNT II heeft immers als doel om het maximale inkomen van topfunctionarissen gelijk te stellen met het ministersalaris. Topinkomens van maximaal 100% van het ministersalaris resulteren in een bezoldiging van ten hoogste € 178.000,- per topfunctionaris  inclusief belaste kostenvergoedingen en pensioenbijdragen van de werkgever. Voor bestaande contracten is een  overgangsregeling van kracht. Hoewel het wetsvoorstel reeds goedgekeurd is door de Tweede Kamer, werd de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer op 9 december voorlopig uitgesteld. Reden hiervoor was dat in de Eerste Kamer enkele kritische vragen gesteld werden over het wetsvoorstel en dat nader onderzoek naar de WNT I wenselijk is om hieraan klevende haken en ogen in de nieuwe wet te voorkomen. Hierdoor leek de beoogde datum van inwerkingtreding (1 januari 2015) onhaalbaar. Deze vertraging en het overgangsregime van de WNT II zouden tot gevolg hebben dat het nog lang zou kunnen duren voordat de WNT II volledig is doorgevoerd. Het overgangsrecht biedt bestaande contracten namelijk de mogelijkheid om de eerste vier jaar na inwerkingtreding het oorspronkelijke (te hoge) inkomen te handhaven, waarna binnen drie jaar afgebouwd dient te worden tot het gemaximeerde inkomen. Latere inwerkingtreding van de WNT II zou toekomstige topfunctionarissen dus langer de gelegenheid bieden om alsnog te contracteren met een (semi) publiekorgaan en hierbij een (te) hoge beloning overeen te komen, met als gevolg dat er sprake is van een bestaande overeenkomst die de eerste vier jaar onder het overgangsregime valt. 

Blijkbaar zag de Eerste Kamer er toch de noodzaak van in om het wetsvoorstel in 2014 te behandelen en eventueel dit jaar nog tot stemming over te gaan. Deze behandeling vindt plaats op 22 december 2014 (*6). Of de Eerste Kamer van mening is dat de WNT I toch voldoende geëvalueerd is om het wetsvoorstel van de WNT II te kunnen beoordelen en in te stemmen met de inwerkingtreding hiervan, zal 22 december aanstaande blijken. Hoewel het last minute werk is, bestaat nu toch weer de mogelijkheid dat de WNT II op korte termijn in werking zal treden.

Auteur