Verrekenbeding en voorhuwelijks vermogen: de hoge raad biedt duidelijkheid

woensdag, 16 september 2009

Jarenlang is er in de rechtsliteratuur een debat gevoerd over de vraag of de beleggingsleer, die geldt bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding, ook geldt als er sprake is van een voorhuwelijks vermogen. Breederveld (in navolging van Wortmann en met hem Van Duijvendijk-Brand en Reinhartz) beweerden dat de nominaliteitsleer gold als er sprake was van het tijdens het huwelijk beleggen van overgespaard inkomen in een voorhuwelijks vermogen. Ik verwijs daartoe naar het artikel van Breederveld in EB mei 2005, nummer 33 onder titel “Het voorhuwelijks vermogen en het verrekenbeding”. 

In mijn artikel “Voorschrijdend inzicht regels verrekenbedingen” dat in januari 2005 werd geplaatst in EB betoogde ik reeds dat het geen verschil uitmaakt of tijdens een huwelijk overgespaard inkomen wordt belegd in een tijdens het huwelijk dan wel voor het huwelijk gekochte woning. Naar aanleiding van het hiervoor genoemde artikel van Breederveld heb ik mijn visie in 2006 (EB februari 2006, 13 en april 2006, 26) nader uitgelegd. De lagere rechtspraak was verdeeld en de Hoge Raad leek op 25 april 2008 (NJ 2008, 394) gekozen te hebben voor de toepassing van de beleggingsleer bij voorhuwelijks vermogen. Er bleef echter twijfel bestaan. De ingevoerde familierechtadvocaten verwijs ik naar mijn artikel “Verrekenbeding en voorhuwelijks vermogen” in EB juli/augustus 2008, 52. Hoewel de Gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Amsterdam duidelijk kozen voor de beleggingsleer en het Gerechtshof Arnhem op 15 juli 2008 (LJN: BF2675) eveneens expliciet en onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad koos voor de beleggingsleer, paste het Gerechtshof ’s-Gravenhage op 31 juli 2008 (RFR 2008, 110 en LJN: BD9767) als enige hof in Nederland de nominaliteitsleer toe.

Download bijlage: Artikel Verrekenbeding en voorhuwelijksvermogen (PDF, 18 KB)