Verhuizing met kinderen na scheiding (1)

maandag, 22 november 2010

De Hoge Raad heeft zich recentelijk (juni 2010) nogmaals uitgelaten over het verhuizen van één van de ouders naar een andere woonplaats. Indien de ouders met het gezamenlijk gezag zijn belast, dient de ouder die met de kinderen wil verhuizen toestemming van de andere ouder te verkrijgen. Lukt dit niet, dan kan er bij de rechter om vervangende toestemming worden gevraagd. Wat zijn nu de criteria waaraan de rechter een dergelijk verzoek toetst?

Indien een ouder geen toestemming aan de andere ouder geeft om te verhuizen met de kinderen, kan de rechter op verzoek (art. 1:253a W) vervangende toestemming verlenen. De rechter zal hierbij een belangenafweging dienen te maken en met alle relevante omstandigheden van het geval rekening houden. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 18 juni jl. zijn beschikking van 25 april 2008 bevestigd en bepaald dat, hoewel het belang van het kind voorop staat, dit belang niet altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding – inwerking getreden op 1 maart 2009 – heeft hier geen verandering in gebracht.

De jurisprudentie over dit onderwerp is de laatste jaren meermalen in kaart gebracht. Een eenduidig beeld geven blijft echter lastig vanwege de casuïstiek. Desalniettemin is er een aantal factoren dat door de rechter van groot belang wordt geacht. Het eerste onderscheid dat gemaakt dient te worden is het verschil tussen verhuizen naar een plaats in Nederland en het verhuizen naar het buitenland (emigreren). Men kan zich voorstellen dat aan het verlenen van toestemming voor het verhuizen naar het buitenland zwaardere eisen worden gesteld dan aan het verhuizen binnen Nederland. Daarnaast is de betrokkenheid van de andere ouder bij de opvoeding van het kind van belang. De rechter zal over het algemeen bij een co-ouderschapsregeling minder snel geneigd zijn om vervangende toestemming te verlenen dan wanneer de andere ouder maar weinig contact heeft met het kind.

Bij emigratie spelen de volgende factoren een rol van betekenis. Het eerste en vaak doorslaggevend criterium is dat de inhoud en de frequentie van het contact tussen de andere ouder en het kind niet onacceptabel gereduceerd mag worden door de verhuizing. Ten tweede moet redelijk vastliggen hoe het leven van de verhuizende ouder en kind er in het buitenland uit gaat zien (toekomstperspectief). De verhuizing dient aldus goed doordacht te zijn. Als derde factor houdt de rechter rekening met de inspanningen die de verhuizende ouder verricht om de gevolgen van de verhuizing voor het kind te verzachten. Ten vierde is ook de communicatie tussen de ouders relevant. Bij een verstoorde communicatie, zal de rechter eerder geneigd zijn te oordelen dat een verhuizing niet in het belang van het kind is. Tot slot speelt ook het gegeven dat het kind uit zijn vertrouwde omgeving wordt gehaald een rol.

Naast bovengenoemde criteria houdt de rechter, ook bij een verhuizing binnen Nederland, rekening met het volgende. De noodzaak tot verhuizing en de aard van de urgentie dienen aangetoond te worden door de ouder die wil verhuizen. Een voorbeeld van deze noodzaak kan zijn gelegen in het feit dat de nieuwe partner van de ouder elders woont en door zijn werk gebonden is aan die plaats. De rechter moet dan een afweging maken tussen de vrijheid van de ‘vertrekkende ouder’ om te verhuizen en elders een nieuwe start te maken en het recht van de ‘blijvende ouder’ op omgang met zijn kind. Voorts zijn de leeftijd van het kind en zijn/haar mening van belang. Dit kan echter op twee manieren worden geïnterpreteerd. De ene rechter stelt dat jongere kinderen zich makkelijker aanpassen in een nieuwe omgeving, terwijl een andere opvatting is dat oudere kinderen makkelijker heen en weer kunnen reizen om het contact met de andere ouder te onderhouden (zelfstandig met het openbaar vervoer).

Een ander item, dat recentelijk tot enige discussie heeft geleid, is de afstand tussen de oude en de nieuwe woonplaats van het kind. In de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juni jl. (NJ 2010, 353 en RFR 2010, 96) bedraagt de maximale verhuisafstand van (i.c.) de moeder vijftig kilometer ten opzichte van de oude woonplaats. Overwogen wordt dat de vrijheid van de moeder om te verhuizen wordt beperkt, doordat zij het contact tussen de kinderen en vader, die een frequente omgang met elkaar hebben, in aanvaardbare mate in stand dient te houden. Vijftig kilometer zou geen onaanvaardbare inbreuk maken op de mogelijkheid tot die omgang. Het Hof Leeuwarden achtte op 27 april 2010 (LJN: BM3660) echter een afstand van 150 kilometer niet in strijd met de belangen van zowel de kinderen als de vader.

Er kan aldus niet in zijn algemeenheid worden aangegeven wanneer de rechter wel of niet vervangende toestemming zal verlenen. Het hangt van de specifieke omstandigheden van het geval af. Wel kan gesteld worden dat bijzonder belangrijke factoren in de belangenafweging van de rechter zijn: de goede contact- en omgangsmogelijkheden na verhuizing, een voldoende zwaarwegend belang van de ouder bij de verhuizing (proportionaliteitsbeginsel), de onmogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen (subsidiariteitsbeginsel), een goede en tijdige voorbereiding van de verhuizing, de leeftijd van de kinderen, het toekomstperspectief en de te overbruggen afstanden.