Schorsing concurrentiebeding?

woensdag, 25 april 2012

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft zich uitgelaten over de vraag of een concurrentiebeding tussen een thuiszorginstelling en een voormalig medewerker (in de functie van Zorgmanager), gelet op een afweging van de wederzijdse belangen, al dan niet zou moeten worden geschorst.

Feiten

De voormalig medewerker komt, in hoger beroep, op tegen het vonnis van de kantonrechter waarin zijn vordering tot schorsing van de werking van het concurrentiebeding is afgewezen. De voormalig medewerker is circa acht maanden op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest bij de thuiszorginstelling (daarvoor circa drie jaren werkzaam als o.a. ZZP’er bij de thuiszorginstelling) in de functie van Zorgmanager regio Maastricht. In zijn schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen een concurrentiebeding voor de duur van twee jaren na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

In januari 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de medewerker en de directeur van de thuiszorginstelling. Daaropvolgend heeft de medewerker het werk verlaten en zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft de medewerker per februari 2011 arbeidsgeschikt verklaard. De UWV-verzekeringsarts oordeelt in februari 2011 dat medewerker arbeidsongeschikt is voor het eigen werk.
De kantonrechter heeft op verzoek van de thuiszorginstelling de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2011 ontbonden op grond van veranderingen in de omstandigheden met toekenning van een vergoeding. Vervolgens is de medewerker een kort geding gestart bij de kantonrechter en gevorderd dat de werking van het concurrentiebeding wordt geschorst en wanneer de kantonrechter daartoe niet zou overgaan de thuiszorginstelling te veroordelen een maandelijkse vergoeding aan hem te betalen en wel voor zolang de duur van de beperking voortduurt.
De voormalig medewerker heeft inmiddels een nieuw parttime dienstverband in de zorg in de regio Maastricht aanvaard; deze werkzaamheden zijn niet concurrerend met die van zijn voormalig werkgever. De voormalig medewerker wenst echter zo spoedig mogelijk als ZZP’er binnen dezelfde branche als de thuiszorginstelling werkzaam te worden en heeft daarom belang bij een schorsing van het concurrentiebeding.

Oordeel Hof

In hoger beroep stelt de voormalig medewerker zich op het standpunt dat de reden voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter gelijk te stellen is met de situatie van een schadeplichtig ontslag, zodat het concurrentiebeding dat eerder tussen partijen schriftelijk is overeengekomen, haar gelding zou hebben verloren. Het Hof deelt deze visie van de medewerker niet. Het Hof oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft ontbonden op grond van veranderingen in de omstandigheden (en niet op grond van een dringende reden). Dat betekent dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat in de ontbindingsbeschikking een zodanig doorslaggevend verwijt wordt gemaakt aan de thuiszorginstelling dat dit een analoge toepassing van “schadeplichtig ontslag” zou rechtvaardigen.

Vervolgens beroept de voormalig medewerker zich op een afweging van de wederzijdse belangen die ertoe zou moeten leiden dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van de thuiszorginstelling bij handhaving van het concurrentiebeding.

Het Gerechtshof stelt voorop dat het concurrentiebeding als regel het grondrecht op de vrijheid van arbeidskeuze van de werknemer kan aantasten. Daarnaast heeft de werkgever  belang bij een rechtmatige bescherming van zijn bedrijfsbelangen. Het komt daarom aan op een afweging van wederzijdse belangen. Het Hof laat voor die belangenafweging meewegen dat de voormalig medewerker inmiddels een niet concurrerende parttime functie heeft kunnen vinden in de regio Maastricht, maar dat hij graag voor zichzelf wenst te beginnen. Ten aanzien van de belangen van de zijde van de thuiszorginstelling neemt het Hof in aanmerking dat de voormalig medewerker kennis en informatie heeft opgedaan voor wat betreft bedrijfsvoering en relaties van de thuiszorginstelling. De oud-medewerker was verantwoordelijk voor alle klantcontacten.

Het Hof oordeelt dat de oud-medewerker door het beding onbillijk wordt benadeeld indien hij de volledige periode van twee jaren aan het concurrentiebeding gebonden zou zijn. Onvoldoende aannemelijk is dat de kennis die hij heeft opgedaan meer dan één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst nog doorwerkt. Bovendien is de duur van het concurrentiebeding, gedurende twee jaren, onevenredig lang gelet op de korte duur (acht maanden) dat de oud-medewerker formeel in dienst is geweest. Het Hof komt wat betreft de schorsing van het concurrentiebeding dan ook tot de slotsom dat de bodemrechter zeer waarschijnlijk het concurrentiebeding zal matigen voor de duur van één jaar, derhalve tot 1 mei 2012.

De vordering van de oud-medewerker om een maandelijkse vergoeding te ontvangen gedurende de werking van het concurrentiebeding, wijst het Gerechtshof af. Immers, de oud-medewerker heeft binnen de regio Maastricht ander, niet concurrerend, werk gevonden en het is onvoldoende onderbouwd waarom dit werk slechts parttime kan worden uitgeoefend. Er is dus niet vast komen te staan dat hij in belangrijke mate is belemmerd om anders dan bij de thuiszorginstelling arbeid te verrichten.

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 27 december 2011, LJN: BV 0740