Proeftijdontslag

woensdag, 27 mei 2009

De voorzieningenrechter in Tiel heeft zich onlangs moeten uitlaten over de vraag op welk moment de proeftijd is ingegaan: aan het begin van de uitzendperiode of bij aanvang van de arbeidsovereenkomst? 

De feiten

Werkgever sluit met werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarbij de werknemer met ingang van 1 februari 2009 in dienst zal treden in de functie van coördinator rotating equipment. In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van twee maanden overeengekomen. Kort nadat de arbeidsovereenkomst is gesloten blijkt dat er per direct extra werk beschikbaar is waarvoor werkgever werknemer goed kan gebruiken. Werkgever benadert werknemer met de vraag of hij eerder in dienst kan treden middels een uitzendovereenkomst. Werknemer gaat daarmee akkoord en over de periode van 29 december 2008 tot en met 31 januari 2009 verricht werknemer vervolgens via een uitzendconstructie bij werkgever werkzaamheden. In de uitzendovereenkomst is dezelfde functienaam opgenomen als in de arbeidsovereenkomst maar tijdens de uitzendperiode verricht werknemer niet alle taken die bij deze functienaam horen (aldus de werkgever later in de procedure). 

Na de indiensttreding per 1 februari 2009 deelt werkgever met een brief van 27 februari 2009 aan werknemer mee dat het dienstverband binnen de proeftijd zal worden beëindigd per 1 maart 2009. De werknemer neemt daar geen genoegen mee.

Vordering werknemer

In kort geding vordert de werknemer loondoorbetaling en tewerkstelling. Werknemer stelt zich daarbij op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is beëindigd omdat in zijn opinie de proeftijd is gaan lopen op 29 december 2008, de ingangsdatum van de uitzendovereenkomst, en deze was verstreken op het moment dat de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigde.

De beoordeling

De voorzieningenrechter in Tiel oordeelt dat hij alleen tot toewijzing van de vorderingen zal besluiten als met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst na 27 februari 2009 voortduurt. Volgens de voorzieningenrechter staat vast dat het de bedoeling van partijen was dat werknemer met ingang van 1 februari 2009 in dienst zou treden in de functie van coördinator. Werkgever heeft aangevoerd dat werknemer in de uitzendperiode echter hoofdzakelijk monteurswerkzaamheden heeft uitgevoerd en niet de coördinerende, leidinggevende werkzaamheden die horen bij de functienaam zoals opgenomen in de uitzendovereenkomst. De rechter overweegt dat niet zozeer de functiebenaming van doorslaggevende betekenis is als wel het feitelijke karakter van de werkzaamheden die de werknemer in de uitzendperiode en na indiensttreding heeft uitgevoerd. Vervolgens oordeelt de rechter dat de functie die werknemer per 1 februari 2009 is gaan bekleden inhoudelijk een andere functie was dan de functie die hij als uitzendkracht uitoefende. Op basis daarvan concludeert de rechter dat de werkgever de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd heeft beëindigd. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.

De uitspraak van de voorzieningenrechter pakt goed uit voor de werkgever maar het risico blijft bestaan dat het oordeel van de rechter in een volgende zaak ook anders kan uitpakken.  Daarom is de door de werkgever gekozen constructie– uitzendperiode voorafgaand aan een indiensttreding- niet aan te bevelen als niet volstrekt duidelijk is dat er sprake is van een geheel andere functie.

Auteur