Onredelijke bouwleges

maandag, 1 januari 2001

In uw (bouw-)praktijk zult u regelmatig geconfronteerd worden met (buitensporig) hoge bouwleges. Dat was ook het geval in onderstaande zaak.

Het Hof Arnhem oordeelde in een zaak (uitspraak van 8 februari 2006, publicatiedatum 5 april 2006, LJN: AV8597, 03/01678), betreffende het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het bouwen van een zuivelfabriek met een bouwsom van 14 miljoen gulden, waarvoor ? 91.437,62 aan bouwleges werd gegeven, dat de gehanteerde tariefstelling tot onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt.

Door de belastingplichtige was tegen de aanslag aangevoerd dat de hoogte van de legesheffing niet in redelijke verhouding stond tot de behandeling van de vergunningaanvraag en de kosten die de gemeente daarvoor in rekening bracht. Ook zou de aan de leges toegerekende kosten naar willekeur wordt toegedeeld aan de bouwleges, waardoor een onevenredige kostenafwenteling plaatsvond waarvoor geen rechtvaardigingsgrond was aan te wijzen.

Het Hof oordeelde dat de tariefstelling in deze zaak leidde tot onredelijk en willekeurige belastingheffing, omdat de verschillen in kostendekking van de diverse legestarieven uiteen liepen van 12% tot 102% zonder dat dit gemotiveerd werd. Ook oordeelde het Hof dat de hoogte van de legesheffing niet in redelijke verhouding stond tot de kosten die de gemeente in rekening bracht voor de behandeling van de vergunningaanvraag. Mede op grond van het feit dat een legesverordening geen maximumbedrag of andere vorm van begrenzing van het te heffen bedrag kende, verklaarde het Hof het artikel betreffende de tariefstelling onverbindend. De aanslag werd op grond hiervan verlaagd van ? 91.437,62 naar ? 2.512,58.

Conclusie
Samengevat: het Hof oordeelde dat er geen goede onderbouwing is gegeven voor het bedrag aan leges dat voor een bepaalde dienst betaald moet worden, de verschillen in kostendekkendheid van de legestarieven zijn te groot en dat mede daardoor de hoogte van de leges niet in verhouding stond met de door de gemeente geleverde dienst.

Vanwege het feit dat bijna alle gemeenten eenzelfde tariefstructuur voor bouwleges kennen en er hoogstwaarschijnlijk in de legesverordening geen goede verklaring is gegeven voor de gekozen tariefstructuur, kan het bij een substanti?le legesaanslag interessant zijn om hier bezwaar tegen aan te tekenen. Dit geldt met name in het geval de tariefstructuur in de legesverordening dezelfde 'mankementen' vertoont als in bovengenoemde zaak. Er is dan een re?le kans aanwezig dat dit gedeelte van de gemeentelijke verordening onverbindend is.
Op grond hiervan zal dan de aanslag moeten worden vernietigd of verminderd. Let op: wilt u voorkomen dat de aanslag onherroepelijk wordt, dan dient u binnen zes weken na dagtekening van de aanslag bezwaar te maken. In het bezwaar kan dan worden verwezen naar de uitspraak van het Hof Arnhem.

Overigens zal de Hoge Raad zich nog over deze kwestie moeten uitlaten, omdat de gemeente in cassatie is gegaan tegen deze uitspraak.