Nieuwe vakantiewetgeving

maandag, 30 januari 2012

Inmiddels is de nieuwe vakantiewetgeving in werking getreden. Heeft u uw verlofadministratie al aangepast?

BANNING Advocaten heeft in de zomer van 2011 in haar seminar “Vakantiespecial Arbeidsrecht” al uitvoerig stilgestaan bij de nieuwe vakantiewetgeving. Ook is er in de media en vakliteratuur de nodige aandacht voor deze nieuwe wetgeving geweest, maar wat betekenen deze wijzigingen nu voor u en uw verlofadministratie?

In dit bulletin worden de belangrijkste wijzigingen nog een keer op een rij gezet.
Hierbij is allereerst van belang dat de wet onderscheid maakt tussen de zgn. wettelijke vakantiedagen (minimum) en bovenwettelijke vakantiedagen. Het minimum aantal wettelijke vakantiedagen bedraagt de wekelijkse arbeidsduur vermenigvuldigd met 4. Een werknemer die 40 uur werkt, heeft dus recht op (4x40=) 160 vakantie-uren (= 20 vakantiedagen). Het meerdere boven deze 20 vakantiedagen worden de bovenwettelijke vakantiedagen genoemd. Indien de werknemer in dit voorbeeld 25 vakantiedagen per jaar opbouwt, zijn 5 daarvan dus bovenwettelijke vakantiedagen (25-20 wettelijke vakantiedagen).

Dan de wijzigingen:

  1. Volledig en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers bouwen voortaan hetzelfde aantal vakantiedagen op als hun gezonde collega’s. Dus ook al is een werknemer volledig ziek, dan bouwt hij toch zijn volledig aantal vakantiedagen op (in voormeld voorbeeld 25 vakantiedagen, daar waar de werknemer onder de oude wetgeving alleen gedurende het laatste half jaar vakantiedagen opbouwde). Dit volledig opbouwen van vakantiedagen geldt ook indien de werknemer bijvoorbeeld maar gedurende een paar uur per week zou hervatten.
     
  2. De nieuwe wet regelt tevens dat werknemers hun wettelijke vakantiedagen (dus 20 dagen in voormeld voorbeeld) binnen anderhalf jaar moeten opnemen. Anders gezegd, de werknemers moeten hun wettelijke vakantiedagen in het opbouwjaar zelf of binnen een half jaar na het einde van dat kalenderjaar opnemen, anders vervallen deze wettelijke vakantiedagen. Wettelijke vakantiedagen die de werknemers in 2012 opbouwen, moeten zij dus opnemen voor 1 juli 2013.
     
  3. Deze vervaltermijn voor de wettelijke vakantiedagen geldt ook voor arbeidsongeschikte werknemers.
     
  4. Deze vervaltermijn geldt echter niet voor werknemers die redelijkerwijs niet in staat zijn geweest vakantie op te nemen. Het gaat hierbij om situaties dat de werknemer gedurende het opbouwjaar en de daaropvolgende zes maanden om medische redenen of in verband met andere bijzondere omstandigheden niet in staat is geweest om zijn minimum vakantierechten te benutten.

    Bijvoorbeeld een langdurig zieke werknemer aan wie om medische redenen geen reïntegratieverplichtingen is opgelegd – gedurende de gehele periode van anderhalf jaar - wordt redelijkerwijs niet in staat geacht te zijn geweest van het recht op vakantie gebruik te maken. Hierbij dient te worden gedacht aan werknemers die geen enkele duurzame benutbare mogelijkheden hebben om naar eigen of andere arbeid terug te keren. De werknemer wordt wel in staat geacht om minimum vakantiedagen op te nemen als het reïntegratietraject is gestart (deze werknemer kan dan recupereren van de inspanningen die volgen uit zijn reïntegratieverplichtingen).

    De formulering ‘redelijkerwijs niet in staat zijn geweest’ betekent dat de werknemer zelf aannemelijk moet maken dat hij niet in staat was om gedurende de gehele vervaltermijn vakantiedagen op te nemen. De werknemer of de werkgever (om het tegendeel aan te tonen) kan hiervoor bijvoorbeeld een verklaring van de bedrijfsarts vragen.
     
  5. Als een andere bijzondere omstandigheid waarom een werknemer niet in staat is geweest om zijn minimum vakantierechten te benutten, wordt de situatie genoemd dat een werknemer door toedoen van de werkgever zijn minimum vakantiedagen – wederom gedurende de gehele periode van anderhalf jaar - niet (of niet volledig) heeft kunnen benutten. Deze (nagenoeg) volledige verhindering zal niet vaak voorkomen.
     
  6. Geen uitzondering op de vervaltermijn levert zwangerschapsverlof of andere tijdelijke verlofsituaties op. Dit betreft normaliter een tijdelijke onderbreking van de werksituatie. De werknemer zou in de rest van de periode van anderhalf jaar voldoende gelegenheid moeten hebben om de minimum vakantierechten op te nemen.
     
  7. Met een vervaltermijn blijft het uitgangspunt onverlet dat ook voor de zieke werknemer de werkgever de vakantie vaststelt conform de wensen van de werknemer (tenzij in de arbeidsovereenkomst of CAO anders is bepaald). De werkgever kan dus niet eenzijdig de vakantieperiode voor de (zieke) werknemer vaststellen zonder zijn instemming. De zieke werknemer wordt door invoering van deze vervaltermijn echter wel gestimuleerd om daadwerkelijk tijdig zijn minimum vakantierechten te effectueren.
     
  8. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen blijft een verjaringstermijn van 5 jaar, na afloop van het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd, van toepassing.
     
  9. Deze verjaringstermijn geldt ook voor de verlofdagen die zijn opgebouwd voor 1 januari 2012; ook deze verjaren pas na een termijn van 5 jaar.
     
  10. Eveneens geldt een verjaringstermijn van 5 jaar voor de minimum vakantieaanspraken die de werknemer redelijkerwijs niet kon opnemen.
     
  11. Bovendien waren tot 1 januari 2012 de regels van de nieuwe vakantiewet nog niet van toepassing. Dit betekent dat bijvoorbeeld een per 1 februari 2011 volledig arbeidsongeschikt geworden werknemer per 31 december 2011 alleen vakantie heeft opgebouwd over het laatste half jaar van zijn ziekte.
     
  12. De vervaltermijn is alleen van toepassing op wettelijke vakantiedagen die na invoering van het wetsvoorstel zijn opgebouwd. Deze dagen zullen door de vervaltermijn eerder komen te vervallen dan de “oude” vakantiedagen (opgebouwd tot 31 december 2011) waarvoor dus nog een verjaringstermijn van 5 jaar geldt. Dit wordt onwenselijk geacht. Vandaar dat dus vanaf 1 januari 2012 geldt, dat eerst de vakantiedagen zullen worden opgenomen waarvoor de vervaltermijn van 6 maanden geldt (aangezien deze per 1 juli 2013 vervallen). Vervolgens worden vakantiedagen vanuit het per 31 december 2011 bestaande saldo afgebouwd (aangezien deze per 1 januari 2017 vervallen). Daarna worden de in 2012 toegekende bovenwettelijke vakantiedagen afgebouwd (aangezien deze per 1 januari 2018 vervallen).
     
  13. Vanwege het onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen en het onderscheid tussen de oude en nieuwe vakantiewetgeving, is een deugdelijke vakantiedagenadministratie voor de werkgever een must. In het verlofregistratiesysteem zal onderscheid moeten worden gemaakt tussen het opnemen van wettelijke minimum vakantiedagen (met een verval- of verjaringstermijn) en het opnemen van bovenwettelijke vakantiedagen (met verjaringstermijn).
     
  14. Via internet zijn daarvoor ook verlofdagentools te verkrijgen.

Heeft u vragen over dit onderwerp of wenst u ook deel te nemen aan onze seminars met uiteenlopende onderwerpen op het gebied van arbeidsrecht? Neemt u dan contact op met een van de sectieleden van de sectie Arbeidsrecht.