Naschrift bij procesreglement scheidingsprocedure

zaterdag, 17 november 2001

1. De voorzitters van de familiesectoren van de Arrondissementsrechtbanken in Nederland hebben er goed aan gedaan een landelijk geldend procesreglement voor scheidingsprocedures te ontwerpen. Na de inwerkingtreding daarvan is het voor iedere (familierecht)advocaat duidelijk, aan welke regels de deelnemers aan het scheidingsproces zich te houden hebben. Globaal was dat wel bekend in het eigen arrondissement (hoewel de praktijk uitwijst dat een enkeling die regels nooit leert kennen), maar bij het procederen in een ander arrondissement werd men regelmatig verrast. Dat is nu (grotendeels) voorbij. De hoofdlijnen van de scheidingsprocedure zijn bij alle rechtbanken gelijk.

2. Bij het indienen van verzoekschriften tot echtscheiding met (soms een groot aantal) bijlagen, kan worden volstaan met twee exemplaren. Gelukkig is er een einde gekomen aan de praktijk van sommige rechtbanken standaard vier exemplaren te eisen. Alleen wanneer de Raad voor de kinderbescherming betrokken is, dient een extra exemplaar (ten behoeve van de Raad) te worden bijgevoegd. Van een convenant dient steeds een extra exemplaar te worden bijgevoegd, opdat na afloop van de zaak aan ieder der partijen een gewaarmerkt of aan de beschikking gehecht exemplaar kan worden teruggestuurd en één exemplaar in het dossier van de Rechtbank kan achterblijven.

3. Tot nu toe was de "houdbaarheidsdatum" van uittreksel zes maanden. Alle Rechtbanken vonden dat reëel, behalve de Rechtbank Amsterdam. Toch hebben de voorzitters van de familiekamers ervoor gekozen bij indiening van een verzoekschrift uittreksels te verlangen, die maximaal drie maanden oud zijn.

4. Volgens artikel 815 lid 2.b. moeten onder meer worden overgelegd bescheiden betreffende de gronden, waarop de rechter ingevolge artikel 814 Rv. rechtsmacht heeft. Dat moeten dus zijn uittreksels, waaruit de nationaliteit van partijen blijkt. Als uit het over te leggen uittreksel blijkt dat beide partijen Nederlander zijn of - als dat niet zo is - dat één der echtgenoten twaalf maanden in Nederland woont (en als de betreffende echtgenoot Nederlander is: zes maanden), dan kan de rechter vooruit. Desalniettemin eist artikel 1.2 in alle gevallen een gba-uittreksel van beide partijen, waaruit de nationaliteit van beide partijen blijkt en de verblijfsduur in Nederland. Dat laatste is overbodig als (zoals toch in een heel groot gedeelte van de gevallen) sprake is van twee Nederlanders. Desalniettemin eisen de regels in alle gevallen overlegging van zeer uitgebreide gba-uittreksels.

5. Niet langer kan in één rekest echtscheiding met nevenvoorzieningen worden gevraagd en voorlopige voorzieningen. Daarvoor is een apart verzoekschrift nodig. Dit lijkt een goede maatregel. Te vaak wordt immers zonder nadenken een rekest ingediend, waarin echtscheiding wordt gevraagd ("het verzoekschrift moet toch worden ingediend, dus laten we dat maar meteen doen") en worden voor het gemak meteen voorlopige voorzieningen gevraagd. Een voordeel van de eis, dat dan twee rekesten moeten worden ingediend, is dat er dan ook tweemaal wordt nagedacht over de vraag of het wel nodig is voorlopige voorzieningen te vorderen. Als dat echt nodig is, kan worden volstaan met het indienen van dat verzoek. Zijn voorlopige voorzieningen niet nodig, dan kan eerst worden getracht een totaalregeling te bereiken, opdat wellicht een gemeenschappelijk verzoekschrift kan worden ingediend. De betreffende maatregel (aparte verzoekschriften) voorkomt onnodige polarisatie.

6. De uitstelregeling is bij alle rechtbanken gelijk. Ter gelegenheid van de betekening wordt uitstel verleend van zes weken (artikel 816 lid 2 Rv) en een eerste eenzijdig verzoek om uitstel wordt altijd toegestaan voor een termijn van maximaal vier weken (artikel 4.2 reglement). Naar verwachting zullen rechtbanken de termijn van vier weken hanteren, als er geen contra-indicaties zijn. Heeft een der partijen groot belang bij een snelle procedure, dan zou dat belang in het betekeningsexploot kunnen worden gemeld, onder mededeling dat de verzoeker zich zal verzetten tegen elk uitstel, althans elk uitstel dat de termijn van enkele dagen te boven gaat. In dat geval zal een verweerder er zeker niet op mogen rekenen, dat hij zonder meer een uitstel van vier weken krijgt.

7. Ieder volgend uitstel kan slechts worden verleend als de wederpartij daarmee instemt en nadat het verzoek met redenen zal zijn omkleed. Wanneer de wederpartij schriftelijk bezwaar maakt tegen het verzoek tot verlenging, "zal het verzoek worden afgewezen, tenzij sprake is van klemmende redenen". Wat zal er nu gebeuren, als verzoeker een week voor de afloop van de termijn een nader uitstel van vier weken vraagt (en een kopie van dat verzoek naar de wederpartij stuurt), terwijl de wederpartij zich twee dagen voor afloop van de termijn daartegen verzet. Als de Rechtbank dan geen klemmende redenen aanwezig acht en het verzoek afwijst, heeft de verzoeker geen tijd meer voor indiening van een verweerschrift. Consequente toepassing van de regels impliceert dan dat een verstekbeslissing zal volgen.

8. De verweerder kan ook laten weten dat hij het met het verzoek eens is. Hij moet dan wel een advocaat zien te vinden (artikel 4.5), die een referteverklaring afgeeft. Voor een dergelijke referteverklaring is geen griffierecht verschuldigd. Bijzonder is dat niet langer wordt geëist een dergelijke referteverklaring te doen indienen door een procureur. De verweerder kan zelf zo'n verklaring opstellen en door een advocaat laten autoriseren. Die advocaat mag zelfs een kantoorgenoot zijn van de procureur. Tijden veranderen!

9. Zodra partijen opgeroepen worden voor een zitting op een dag, die hen niet schikt, kunnen zij binnen tien dagen na verzending van de oproep schriftelijk uitstel van de eerste behandeling ter zitting vragen. Verhinderdata van beide partijen moeten worden medegedeeld gedurende een periode van twee maanden, aansluitend aan de eerder bepaalde behandelingsdatum. Dan zal altijd uitstel worden verleend. Het reglement geeft aan: "tien dagen". Bedoeld schijnt evenwel te zijn :"tien werkdagen". Het is jammer dat dat dan niet expliciet in het procesreglement is vermeld.

10. Overigens kan ook na die tien werkdagen nog om uitstel van de zitting worden gevraagd. Wordt daar evenwel door de wederpartij bezwaar tegen gemaakt, dan wordt het verzoek slechts toegewezen als de verzoeker klemmende redenen aanvoert. Een kort uitstel wordt dan gegeven. Stemt de wederpartij evenwel schriftelijk in met dat verzoek, dan wordt het in principe toegewezen.

11. Als na indiening van een verzoekschrift (artikel 4.2) danwel na de dag waarop de behandeling voor de eerste keer was bepaald (artikel 6.6) een jaar is verlopen, dan wordt de procedure onredelijk vertraagd geacht. In dat geval mag niet meer worden gerekend op uitstellen.

Auteur