Moeder aansprakelijk voor naheffingsaanslagen fiscale eenheidsdochter

woensdag, 7 oktober 2009

X is als moedermaatschappij van een fiscale eenheid door de Belastingdienst (ex art. 43 Invorderingswet 1990) aansprakelijk gesteld voor de omzetbelastingschulden van haar dochtermaatschappij. De aansprakelijkheid is niet te hoog vastgesteld. Daarnaast doet X een beroep op onterechte verrekening door de Belastingdienst. Hiertegen staat echter op grond van de Invorderingswet 1990 geen bezwaar en beroep open. De rechtbank verklaart het beroep van X ongegrond. 

X was van 1999 tot 2005 de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De activiteiten van de fiscale eenheid bestonden uit een groothandel in telefoonkaarten, die werden ingekocht van diverse telecomproviders en werden verkocht aan winkeliers. De dochtermaatschappij van X werd op 17 januari 2006 failliet verklaard.

X vormde tezamen met haar dochtermaatschappij tot 21 juli 2005 een fiscale eenheid. Na deze datum wordt de fiscale eenheid verbroken omdat belastingplichtige op 20 juli 2005 de aandelen in de dochtermaatschappij X verkoopt. In de loop van 2005 wordt er een boekenonderzoek ingesteld door de Belastingdienst voor de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting.

Op grond van de uitkomsten van het boekonderzoek heeft de Belastingdienst in 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting en een boete ad € 39.668,-- aan X opgelegd. Nadien zijn de naheffingsaanslag en de boete over het tijdvak 2001 tot en met 2003 ambtshalve verminderd tot € 147.093,-- onderscheidenlijk € 36.798,--. Tot de in de naheffingsaanslag over het tijdvak 2001 tot en met 2003 begrepen correcties behoort een bedrag van € 54.722,-- dat door de fiscale eenheid in rekening is gebracht aan een afnemer en in 2003 als voorbelasting in aftrek is gebracht wegens oninbaarheid van de betreffende vordering.

Bij brief van 14 september 2006 heeft de belastingdienst aan X bekendgemaakt dat de boete van € 39.668,-- op de voet van artikel 24 IW is verrekend met een teruggaaf vennootschapsbelasting aan X.

X heeft bij de Belastingdienst bezwaar gemaakt en is vervolgens bij de rechtbank ’s-Gravenhage in beroep gekomen. Kort gezegd stelt X dat zij niet aansprakelijk is voor de naheffingsaanslagen die door de Belastingdienst aan haar zijn opgelegd.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt op verzoek een teruggaaf van omzetbelasting verleend voor zover de vergoeding (die aan een afnemer in rekening is gebracht en waarover omzetbelasting in rekening is gebracht) niet is en zal worden betaald. De rechtbank oordeelt dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vorderingen waarop het bedrag van € 54.722,-- betrekking heeft niet zijn betaald en niet zullen worden betaald. Reeds om die reden heeft X volgens de rechtbank geen recht op aftrek dan wel teruggaaf van het bedrag van € 54.722, zodat de naheffingsaanslag - en daarmee de aansprakelijkstelling - in zoverre juist is.

Voor zover het beroep gericht is tegen de boete faalt bij gebrek aan belang, nu X voor die boete niet aansprakelijk is gesteld.

Ten slotte kan X zich ook niet beroepen op de verrekening die heeft plaatsgevonden. Het gaat volgens de rechtbank om een ingevolge de belastingwet genomen, maar niet voor bezwaar vatbaar besluit waartegen krachtens art. 26 AWR geen beroep bij de bestuursechter in fiscale zaken open staat.

Op grond van het vorenstaande verklaart de rechtbank X ongegrond in zijn beroep.

(Rb. ‘s-Gravenhage 28 augustus 2009, LJN BJ7383www.rechtspraak.nl).