Loonsanctie: nalatigheid UWV beperkt duur van de loonsanctie

woensdag, 28 september 2011

Wanneer het UWV aan een werkgever een loonsanctie heeft opgelegd, kan de werkgever proberen de duur daarvan te verkorten door alsnog de gevraagde reïntegratie-inspanningen te verrichten. Op een dergelijke mededeling van een werkgever dient het UWV binnen drie weken te beslissen. Wat nu als het UWV dat nalaat of niet tijdig reageert op mededelingen van de werkgever dat zij alsnog aan haar reïntegratieverplichtingen heeft voldaan?

Het UWV kan een werkgever een loonsanctie opleggen indien de werkgever gedurende de eerste 2 ziektejaren onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Deze sanctie houdt in dat het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op het doorbetalen van loon op grond van artikel 7:629 BW met maximaal één jaar wordt verlengd. Met andere woorden, de werkgever moet gedurende nog maximaal één jaar het loon aan de werknemer doorbetalen, tenzij één van de uitzonderingssituaties van artikel 7:629 BW zich voordoet. Tijdens deze verlengde periode van loondoorbetaling heeft de werkgever de gelegenheid zijn tekortkomingen aangaande de reïntegratie van de werknemer te herstellen.

Tegen een dergelijke beslissing tot het opleggen van een loonsanctie van het UWV kan de werkgever binnen 6 weken na de beslissing bezwaar maken. Daarnaast, of los daarvan, heeft de werkgever ook de mogelijkheid, indien zij inmiddels de tekortkomingen in de reïntegratie heeft hersteld, dit aan het UWV te melden. Het UWV moet dan binnen drie weken na ontvangst van een dergelijke melding een beslissing afgeven of de tekortkomingen van de werkgever wel of niet zijn hersteld en of de loonsanctie wel of niet gecontinueerd wordt.
Op deze manier kan de werkgever proberen alsnog de duur van de loonsanctie te verkorten.

In de praktijk wordt echter vaak deze termijn van drie weken door het UWV overschreden. Recent diende de Kantonrechter te Amersfoort zich uit te laten over de gevolgen daarvan voor de werkgever.

In de zaak die voorlag aan de Kantonrechter ging het om een werknemer die zijn werkgever in kort geding had betrokken, omdat de werkgever tijdens de loonsanctie (in het derde loondoorbetalingsjaar) weigerde het loon aan de werknemer te betalen. De werkgever was onder andere van oordeel dat hij geen verplichting tot loondoorbetaling meer had omdat het UWV niet of te laat op haar meldingen, dat de tekortkomingen in de reïntegratie zijn hersteld, had gereageerd.  

Op de eerste melding van herstel van de werkgever had het UWV na 118 dagen (na de drie weken beslistermijn die er wettelijk voorstaat) geoordeeld dat de werkgever zijn tekortkomingen (nog) niet had hersteld.
Op de tweede en derde melding van de werkgever had het UWV op het moment van de zitting nog in zijn geheel niet gereageerd. Dit bracht het totaal op 195 dagen dat het UWV niet of niet tijdig gereageerd had (hierbij is de overschrijding van de derde melding van herstel niet meegenomen, nu die periode van overschrijding reeds wordt meegeteld in het kader van de overschrijding van de beslistermijn ten aanzien van de tweede melding van herstel. Een dergelijke dubbeltelling vond de Kantonrechter te gortig). 

Deze 195 dagen bracht de Kantonrechter vervolgens in mindering op het opgelegde loonsanctietijdvak van 52 weken, dat in deze zaak liep tot en met 2 oktober 2011. De werkgever was dus in beginsel slechts loon verschuldigd vanwege de loonsanctie tot en met 21 maart 2011 (= 2 oktober 2011 - 195 dagen). Tot deze datum is het loonsanctietijdvak beperkt door de nalatigheid van het UWV tijdig op de melding van de werkgever dat zij inmiddels aan haar reïntegratieverplichtingen heeft voldaan, te beslissen. De werkgever is met andere woorden maar tot en met 21 maart 2011 verantwoordelijk voor het loon voor de werknemer in plaats van tot 2 oktober 2011.

Vervolgens zou het UWV op de WIA-aanvraag van de werknemer moeten beslissen, maar of dit (aansluitend aan 21 maart 2011) leidt tot het toekennen van een dergelijke uitkering is de vraag. Aansprakelijkheid van het UWV lijkt dan in het verschiet te liggen, maar dit zal ongetwijfeld in een nieuwe rechtszaak worden beslist.

De reden van deze beslissing om de duur van de overschrijdingen door het UWV in mindering te brengen op het tijdvak van de loonsanctie, is dat de rechter van oordeel is, dat de werkgever nadelige gevolgen ondervindt van een uitblijvende of te late beslissing van het UWV. Immers door deze vertraging kan de werkgever de reïntegratie te laat aanpassen, met als gevolg dat de werkgever ook weer pas later een tweede reparatiemelding kan doen, waardoor de loonsanctie uiteindelijk ook later zal kunnen eindigen. Dit geldt ook in het geval het UWV van oordeel is dat de tekortkomingen in de reïntegratieverplichtingen nog niet (voldoende) zijn hersteld, maar zij dit dus te laat mededeelt.

Of deze uitspraak leidt tot wijziging van de aanpak van het UWV of opvolging krijgt van andere rechters, zal de praktijk leren.