Klantenvergoeding bij einde agentuurovereenkomst geen inkoppertje

maandag, 19 juni 2017

Veel ondernemers werken met handelsagenten, omdat zij om uiteenlopende redenen behoefte hebben aan een tussenschakel tussen henzelf en de markt. Als zij op enig moment de samenwerking met de handelsagent willen beëindigen, dan heeft de handelsagent onder bepaalde voorwaarden recht op goodwill. Was de handelsagent succesvol dan kan de goodwillvergoeding aardig oplopen. Dit leidt in de praktijk vaak tot discussies tussen de handelsagent en de principaal. De vraag die dan rijst is of de handelsagent recht heeft op een klantenvergoeding en zo ja, hoe hoog deze dan moet zijn.

Het recht van de agent op klantenvergoeding bij einde agentuur

Na beëindiging van een agentuurovereenkomst kan het zijn dat de handelsagent recht heeft op een zogenaamde klantenvergoeding, vanwege, kort gezegd, het voortdurende voordeel dat hij zijn principaal heeft bezorgd. In het T-Mobile arrest van de Hoge Raad van 2 november 2012 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de wijze van berekening van deze klantenvergoeding, welke in drie fasen moet verlopen:

(1) in de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, worden gekwantificeerd;

(2) in de tweede fase dient beoordeeld te worden of er een reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de agent gederfde provisie, en;

(3) in de derde en laatste fase wordt getoetst of de klantenvergoeding niet hoger is dan de gemiddelde jaarlijkse beloning, die de agent in het verleden heeft ontvangen. Dit gemiddelde wordt in beginsel berekend over de laatste 5 jaar.

Aannemelijkheid van het voordeel van handelsagent

De Hoge Raad heeft onlangs in het arrest Prijsvrij.nl / Corendon bepaald dat voordat er überhaupt kan worden toegekomen aan de kwantificering van het voordeel van de principaal (fase 1) de agent aannemelijk moet maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten.

In de zaak Prijsvrij.nl / Corendon ging het over het volgende. Corendon had in 2012 met Prijsvrij een agentuurovereenkomst gesloten, welke overeenkomst Corendon eind 2013 heeft opgezegd. Prijsvrij maakte vervolgens aanspraak op een klantenvergoeding ter grootte van haar gemiddelde provisie op Corendon reizen over 12 maanden. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van de klantenvergoeding toegewezen. Het hof heeft het vonnis vernietigd en de vordering van Prijsvrij alsnog afgewezen.

Prijsvrij stelde dat zij nieuwe klanten heeft aangebracht en dat Corendon hiermee een duurzame relatie had kunnen opbouwen. Verder voerde Prijsvrij aan dat minstens 25% van haar eigen klanten herhaalboekingen uitvoerden. Prijsvrij had daarbij echter geen inzicht gegeven in de mate waarin die reizigers ook opnieuw kiezen voor Corendon. Corendon voerde ter verweer aan dat de markt waarop zij diensten verricht vooral prijsafhankelijk is. Klanten zouden zich bij hun keuze voor een volgende reis slechts laten leiden door hun portemonnee. Op zichzelf achtte het hof aannemelijk dat het imago van of positieve eerdere ervaringen met de touroperator bij de keuze van de klant een rol kunnen spelen. Gezien het argument van Corendon dat de markt in belangrijke mate prijs gedreven is zag het hof echter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij bij het einde van de agentuurovereenkomst nog enig (duurzaam) voordeel kon ontlenen.

Prijsvrij stapte vervolgens naar de Hoge Raad. Bij de Hoge Raad klaagde Prijsvrij over de in haar ogen te zware stelplicht om het voordeel van Corendon aan te tonen. De regeling van de klantvergoeding strekt ter bescherming van de agent en daarmee verhoudt het zich niet goed als de agent het werkelijke voordeel van de principaal na beëindiging van de agentuurrelatie zou moeten aantonen, nu alleen de principaal die gegevens heeft, zo betoogde Prijsvrij.

Prijsvrij voerde in cassatie onder meer aan dat het voor toekenning van de klantenvergoeding voldoende zou moeten zijn dat de handelsagent stelt:

  1. dat hij nieuwe klanten bij zijn principaal heeft aangebracht en/of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid én
  2. dat deze klanten de principaal (nog) aanzienlijke voordelen kunnen opleveren.

Indien de agent aan deze stelplicht voldoet, dient de principaal in beginsel een klantenvergoeding uit te keren ter hoogte van de in de laatste twaalf maanden verdiende bruto provisie betreffende deze klanten, aldus Prijsvrij.

De Hoge Raad volgt Prijsvrij niet. Teneinde aanspraak te kunnen maken op betaling van een klantenvergoeding dient de agent aannemelijk te maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten. De enkele omstandigheid dat klanten van Prijsvrij herhaalboekingen bij Corendon zouden kunnen doen, is  daarvoor onvoldoende.

De Hoge Raad overweegt dat Prijsvrij volgens het hof niet aannemelijk heeft gemaakt dat door haar aangebrachte klanten Corendon nog aanzienlijke voordelen opleverden. . Om die reden had het hof, volgens de Hoge Raad, de vordering afgewezen, en niet omdat het hof had verlangd dat Prijsvrij inzicht zou geven in de voordelen die Corendon daadwerkelijk zou (gaan) genieten. Dit oordeel van het hof geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

Na een kostbare rechtsgang in drie instanties staat Prijsvrij met lege handen.

Meer weten?

Mail vrijblijvend met onze gespecialiseerde advocaten Roxanne Hofman of Minos van Joolingen.