Kinderalimentatie is en blijft (voorlopig) niet-box gebonden

maandag, 21 maart 2011

De Hoge Raad heeft op 11 februari 2011 [1] (voorlopig) een einde gemaakt aan de verwarring die was ontstaan naar aanleiding van een eerder gewezen arrest begin 2009 [2]. Het hoogste rechtscollege heeft zich namelijk uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of de contante waarde van de in de toekomst nog te betalen kinderalimentatie aangemerkt kan worden als een schuld voor de Inkomstenbelasting in Box III [3]. Het antwoord hierop luidt, in lijn met de conclusie van A-G Niessen, bevestigend.

Aan de uitspraak van 11 februari jongstleden is het een en ander voorafgegaan. In het hiervoor aangehaalde arrest uit 2009 heeft de Hoge Raad een eerste belangrijke stap gezet door te bepalen dat periodieke uitkeringen (giften) aangemerkt kunnen worden als een persoonsgebonden aftrek in box 1, en dat de (contante waarde van de) verplichtingen voor de toekomst terzake eveneens een schuld in box 3 kunnen opleveren. De Hoge Raad heeft in datzelfde arrest geconstateerd dat het voorgaande eveneens dient te gelden voor alimentatieverplichtingen. De redenering die de Hoge Raad hiervoor geeft is dat een persoonsgebonden aftrekpost een door de wetgever geschapen faciliteit is voor persoonlijke uitgaven. Deze aftrekpost houdt dus geen verband met de verwerving van inkomen en is dan ook ‘niet-box gebonden’. Oftewel, de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 is niet van toepassing.Men kon aldus in box 1 de betaalde partneralimentatie als persoonsgebonden aftrek opnemen en in box 3 de nog in de toekomst verschuldigde partneralimentatie als schuld.

Met ingang van 30 december 2009 is deze uitspraak van de Hoge Raad door de wetgever voor een belangrijk deel in haar uitwerking beperkt waar het om partneralimentatie gaat [4]. Art. 5.3 lid 3 onder a Wet IB 2001 is immers zodanig aangepast dat vanaf de datum van inwerkingtreding de in de toekomst verschuldigde partneralimentatie niet als schuld in box 3 is aan te merken. Opvallend is dat hier niet tevens een verwijzing is opgenomen naar afdeling 6.4 van de Wet IB 2001. Dat gaat over de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen.

Nu een expliciete uitsluiting van de kinderalimentatieverplichting als schuld in box 3 ontbreekt, zijn er in de literatuur hierover heel wat vragen gerezen. Het ontbreken van een expliciete uitsluiting van de kinderalimentatie in hoofdstuk 5 Wet IB 2001 werd door velen van ondergeschikt belang geacht. Zij achtten de kinderalimentatieverplichting van een totaal ander karakter dan de partneralimentatieverplichting en waren dan ook van mening dat de uitspraak van de Hoge Raad uit 2009 dan ook niet op kinderalimentatie van toepassing was. In de uitspraak van 11 februari 2011 wordt door de Hoge Raad hierover duidelijkheid verschaft. De Hoge Raad heeft bepaald dat juist dit verschil in karakter een nadrukkelijke uitsluiting in de wet vereist. Daarbij ziet de Hoge Raad onvoldoende grond om ten aanzien van deze schulden andere criteria toe te passen dan hetgeen in het arrest van 2009 ten aanzien van de partneralimentatie is bepaald ‘nu ook deze kinderalimentatieverplichtingen ontegenzeggelijk een waarde in het economische verkeer hebben’.[5]

Conclusie: de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie voor de toekomst is evenals de verplichting tot het betalen van partneralimentatie te kwalificeren als een schuld in box 3. Feit is echter wel dat deze uitspraak inzake partneralimentatie, gelet op de wetswijziging, slechts van belang is voor zaken die zien op de periode van voor 30 december 2009. De kinderalimentatie daarentegen lijkt voorlopig de dans te ontspringen.

[1] Hoge Raad 11 februari 2011, LJN: BO0403.
[2] Hoge Raad 27 februari 2009, LJN: BD9217.
[3] Wet Inkomstenbelasting 2001.
[4] Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 128, nr. 3.
[5] Hoge Raad 11 februari 2011, LJN: BO0403, r.o. 3.3.7.