Keuze voor gunning op grond van de laagste prijs moet goed worden gemotiveerd

vrijdag, 21 februari 2014

BAM stelt in een procedure tegen de gemeente Zevenaar dat hoewel in de aanbesteding voor de realisatie van een nieuw gemeentehuis gekozen is voor het gunningscriterium ‘Economisch meest voordelige inschrijving’, de subcriteria dusdanig zijn opgesteld dat het feitelijk gaat om een aanbesteding met het gunningscriterium ‘laagste prijs’. De rechtbank Gelderland is van oordeel dat de gemeente Zevenaar in strijd heeft gehandeld met art. 2.114 Aanbestedingswet 2012 nu de gemeente in de aanbestedingsstukken onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is afgeweken van het gunningscriterium EMVI. 

In een uitspraak van de rechtbank Gelderland d.d. 24 januari 2014 zijn twee vermeldenswaardige uitspraken gedaan.

In de eerste plaats heeft de rechtbank de motiveringsplicht van aanbestedende diensten onderstreept in het geval niet wordt gekozen voor het EMVI. BAM was van oordeel dat de onderdelen Planning en Plan van Aanpak uit de Gunningsleidraad minimaal meetelden in de totale beoordeling. Dit zou in strijd zijn met artikel 2.114 Aanbestedingswet 2012. Volgens BAM is het gunnen op basis van de laagste prijs slechts onder bijzondere omstandigheden toegestaan en moet de aanbestedende dienst een dergelijke keuze in de aanbestedingsstukken motiveren. Dit was niet gebeurd.

Voordat de rechtbank beoordeelt of de gemeente in strijd heeft gehandeld met artikel 2.114 Aanbestedingswet 2012 is de (voor)vraag aan de orde of de gemeente, door de wijze van uitwerking van de subcriteria, feitelijk heeft gekozen voor het gunningscriterium laagste prijs. Ter beantwoording van deze vraag schaart de rechtbank zich achter het uitgebrachte advies van de Commissie van Aanbestedingsexperts, waarin is geconcludeerd dat door de gemeente Zevenaar materieel is gekozen voor het criterium laagste prijs. Niettemin stelt de rechtbank daarbij uitdrukkelijk dat het advies van de Commissie niet bindend is en niet slechts marginaal getoetst kan worden.

In tegenstelling tot de stelling van BAM dat het gunningscriterium laagste prijs enkel in uitzonderingssituaties gehanteerd mag worden, kan dit in zijn algemeenheid niet worden aangenomen. Uit artikel 2.114 lid 2 Aanbestedingswet 2012 volgt namelijk dat een aanbestedende dienst kan kiezen voor het criterium van de laagste prijs, mits de keuze wordt gemotiveerd in de aanbestedingsstukken. Daarbij is beroep op een beperkt budget aan de zijde van de gemeente onvoldoende om de afwijking van het wettelijke uitgangspunt te rechtvaardigen. De rechtbank heeft de gemeente echter niet verplicht om over te gaan tot een heraanbesteding. Die keuze is aan de gemeente voorbehouden.