Kantoren op een bedrijventerrein

donderdag, 17 oktober 2002

In de jaren negentig heeft het Rijk de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra vastgesteld en het Structuurschema Verkeer en Vervoer. Hierbij worden bedrijfslocaties onderverdeeld in A, B en C locaties, waarbij A locaties het best bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. Het rijksbeleid is dat arbeids- en bezoekersintensieve bedrijven op A locaties gevestigd moeten worden. Hierbij gaat het met name om kantoorgebouwen. De gemeenten moeten dit beleid uitvoeren in hun bestemmingsplannen. 

De consequentie van dit beleid is dat er in beginsel geen grote kantoren gebouwd mogen worden op perifere bedrijfsterreinen die niet goed met het openbaar vervoer bereikbaar zijn. In nieuwe bestemmingsplannen wordt meestal expliciet de bouw van zelfstandige kantoren verboden. Toch kan het heel aantrekkelijk zijn om op dit soort locaties wel kantoren te bouwen, onder meer in verband met het aantal parkeerplaatsen. De vraag is een aantal malen aan de orde geweest of op deze perifere locaties niet toch een kantoorgebouw mag worden gerealiseerd. 

Of dat kan is afhankelijk van de inhoud van het bestemmingsplan. Wanneer de bouw van zelfstandige kantoren expliciet wordt uitgesloten, is duidelijk dat dit niet toegestaan is. Maar in de praktijk komen ook vagere bepalingen voor in het bestemmingsplan. De uitspraken echter die de rechter tot dusver heeft gewezen, wijzen erop dat niet te snel kan worden aangenomen dat de bouw van kantoren toegestaan is. De bestemming "handelsbedrijf" bijvoorbeeld maakt het niet mogelijk om een zelfstandig kantoor te bouwen. Hetzelfde geldt voor een bestemming "handels- of industrieterrein". Hierbij moet wel worden opgemerkt dat elke uitspraak van de rechter specifiek betrekking heeft op het bestemmingsplan dat in die zaak geldt. Als algemene lijn kan wel worden aangegeven dat niet te snel moet worden aangenomen dat bij een vrij algemene bedrijfsbestemming zelfstandige kantoren zijn toegestaan.

In de praktijk speelt vaak nog dat de gemeente in het verleden wel een bouwvergunning heeft verleend voor zelfstandige kantoren. Deze bouwvergunning werd dan bewust in strijd met het bestemmingsplan verstrekt. Voor die situaties is het volgende van belang. Vaste jurisprudentie van de rechter is dat wanneer de gemeente (bewust) in strijd met het bestemmingsplan een bouwvergunning verleent daarmee impliciet vrijstelling geeft van de voorschriften van het bestemmingsplan waarmee het bouwplan in strijd was. Wanneer op de bouwtekeningen en in de aanvraag is aangegeven dat het gaat om een (zelfstandig) kantoor en de gemeente de bouwvergunning verleent, hoewel de bouw van een dergelijk kantoor niet is toegestaan, dan mag het pand als kantoor worden gebruikt. De gemeente kan dan geen beroep doen op de bepaling in het bestemmingsplan dat het verboden is gebouwen te gebruiken in strijd met de bestemming. Van die bepaling is met het verlenen van de bouwvergunning impliciet vrijstelling verleend.