Kansen voor alimentatieplichtigen bij vooruitstrevend Hof Den Haag

donderdag, 29 september 2016

In 2013 concludeerde ik in mijn artikel “Beperking van de alimentatieduur: laten advocaten kansen liggen?” dat de uitspraken waarin sprake is van een limitering van de alimentatie of een nihilstelling op termijn beperkt zijn. Het leek erop dat advocaten terughoudend waren in het doen van dergelijke verzoeken, maar ook rechters bij de toewijzing daarvan. Zo niet het Hof Den Haag het afgelopen jaar. Meermalen al stelde het Hof Den Haag dit jaar de alimentatie na ommekomst van een zekere termijn op nihil dan wel limiteerde de alimentatieverplichting. Ook anderszins doet het Hof Den Haag de laatste tijd vooruitstrevende uitspraken.

Zo oordeelde het hof op 29 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2308) nog dat de alimentatieplichtige het recht heeft periodiek te laten toetsen of een onderhoudsgerechtigde aan zijn of haar inspanningsverplichting voldoet. Het hof beschouwde het tijdsverloop in die zaak als een relevante wijziging van omstandigheden waardoor de man kon worden ontvangen in zijn verzoek de alimentatie op nihil te stellen omdat van de vrouw inmiddels verwacht kon worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Een rol speelde daarbij het met de jaren afnemen van de lotsverbondenheid, het feit dat er op de vrouw een inspanningsverplichting rustte zoveel mogelijk zelf in haar levensonderhoud te voorzien en het feit dat de vrouw weigerde inzicht te geven in haar inspanningen.

Het hof maakte in die beslissing ook onderscheid in de grondslagen waarop de alimentatieverplichting is gebaseerd: een huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit en de voortdurende solidariteit. Bijzonder, omdat eerder in beslissingen veelal werd overwogen dat de grondslag van partneralimentatie de lotsverbondenheid is die ten gevolge van het huwelijk is ontstaan.

Het hof lijkt hiermee tegemoet te komen aan problemen in het alimentatierecht die Naomie Spalter enkele jaren gelden constateerde. Zij wees er in haar proefschrift over de grondslagen van alimentatie op dat in het Nederlandse alimentatierecht geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de grondslagen voortdurende solidariteit en huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit, oftewel in hoeverre is een alimentatiegerechtigde ten gevolge van het huwelijk minder in staat zijn verdiencapaciteit ten gelde te maken. Daar dit onderscheid in grondslagen niet te maken kunnen volgens haar knelpunten ontstaan bij onder meer de rechtvaardiging van de toekenning van een onderhoudsbijdrage, de alimentatiehoogte en de alimentatieduur.

Hoe gerechtvaardigd is het immers dat alimentatie moet worden betaald als de behoefte aan een bijdrage niet is ontstaan als gevolg van offers die de alimentatiegerechtigde in het belang van het gezin heeft gebracht, maar is veroorzaakt door omstandigheden waarvan gezegd kan worden dat die voor rekening en risico van de alimentatiegerechtigde komen?

Onderscheid in de grondslag van partneralimentatie maakt het Hof Den Haag in zijn beslissing van 29 juni 2016 nu dus wel. Te verwachten is dat dit vaker zal gaan gebeuren.  

Een andere in het oog springende uitspraak van het Hof Den Haag is die van 8 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2539). Het hof wees in die zaak het alimentatieverzoek van de vrouw in kwestie in zijn geheel af. De vrouw werd geacht in haar levensonderhoud te kunnen voorzien met de inkomsten uit haar vermogen van €3.000.000. Voor zover dat niet het geval was kon volgens het hof van de vrouw verwacht worden dat zij op haar vermogen inteert en anders haar verdiencapaciteit aanwendt. Het hof overwoog: “In beginsel dient de vrouw (…) naar Nederlands recht in haar eigen levensonderhoud te voorzien tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.” Een overweging die heel duidelijk maakt wat het uitgangspunt is bij een verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, maar niet vaak zo strikt naar voren wordt gebracht.

Zoals gezegd deed het Hof Den Haag dit jaar ook al een aantal uitspraken waarbij een verzoek om nihilstelling van de alimentatie op termijn werd toegewezen. Zo stelde het hof de alimentatie van de vrouw (een BIG-geregistreerd research- en kinderverpleegkundige) bij beschikking van 18 mei 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2541) op nihil na een termijn van drie jaar. Na die periode werd de vrouw geacht volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte van €4.042 bruto per maand te voorzien.

In voornoemde uitspraak van het Hof Den Haag van 29 juni stelde het hof de partneralimentatie op nihil na een periode van drie maanden. De vrouw kreeg daarmee drie maanden de tijd om een dienstbetrekking te vinden, omdat zij niet had aangetoond dat zij niet zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte kon voorzien. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat de behoefte van de vrouw onder het minimumloon lag.

Op 14 september 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2751) stelde het hof eveneens de partneralimentatie op nihil en wel na een periode van bijna vierenhalf jaar. De vrouw werd geacht met ingang van 1 januari 2021 volledig in haar eigen behoefte van €3.447 bruto per maand te kunnen voorzien door te werken en door de inkomsten uit haar vermogen van €300.000. Dit, ondanks haar leeftijd (59) en medische beperkingen (traumatherapie bij een GGZ-instelling). Met ingang van 1 januari 2018 werd de vrouw geacht in ieder geval het minimumloon te kunnen genereren.

Bij beschikking van dezelfde datum (ECLI:NL:GHDHA:2016:2737) stelde het hof de door de man te betalen alimentatie met ingang van 30 oktober 2018 op nihil, oftewel na een periode van drie jaar te rekenen vanaf de datum van echtscheiding. Partijen hadden geen kinderen, de vrouw was 36 jaar en had een academische opleiding afgerond. Het hof liet echter meewegen dat de vrouw medische problemen had en tijdens het huwelijk nauwelijks heeft gewerkt, terwijl het werk dat zij deed niet aansloot bij haar opleiding.

Een definitief einde bracht het hof aan de alimentatieverplichting van de man bij beschikking van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2673. Het hof limiteerde deze alimentatieverplichting na ommekomst van een periode van drie jaar. Het hof liet daarbij een rol spelen de opleiding van de vrouw, haar ruime werkervaring, het feit dat het huwelijk kinderloos was gebleven, het feit dat de vrouw niet meer de intensieve zorg had voor haar zoon uit een eerdere relatie, de relatief jonge leeftijd van de vrouw (46) en het relatief korte huwelijk van partijen.

Opvallend is dat het allemaal relatief korte perioden zijn waarbinnen de alimentatiegerechtigden geacht worden in het eigen levensonderhoud te voorzien. Verder blijkt ook nu weer dat in alle zaken waarin het hof de alimentatie na een zekere periode op nihil stelde of de verplichting limiteerde er geen minderjarige kinderen te verzorgen (meer) waren.

De uitspraken lijken een tendens te laten zien waarbij in ieder geval het Hof Den Haag strenger kijkt naar gevallen waarin een alimentatieverplichting aan de orde is. Voor alimentatieplichtigen wellicht een reden om, als de mogelijkheid bestaat te kiezen voor het aanbrengen van een alimentatiezaak binnen het ressort van het Hof Den Haag dan wel een ander ressort, te kiezen voor het eerste.