Huisvestingsperikelen bij samenwerking tussen basisschool en kinderopvang

maandag, 21 maart 2016

De kinderopvang is de afgelopen jaren volop in beweging. Een van de ontwikkelingen is de vorming  van Integrale Kindcentra (IKC). In een IKC komen kort gezegd kinderen van 0 tot 13 jaar om te leren, te spelen en zich te ontwikkelen vanuit één geïntegreerd dienstenaanbod. Een nieuw en uitdagend concept, waarbij onder andere kinderopvang en primair basisonderwijs samen komen. Het feit dat dit concept betrekkelijk nieuw is, brengt met zich dat wettelijke kaders thans niet op elkaar zijn afgestemd. Zo is de kinderopvang gebonden aan de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en het basisonderwijs aan de Wet op het primair onderwijs. Dit brengt bijvoorbeeld belemmeringen met zich mee op het gebied van financiering (verschil private- en publieke financiering), personeel, mogelijke samenwerkingsvormen en huisvesting. 

In dit artikel zoemen wij nader in op de belemmeringen waarmee een IKC mogelijk kan worden geconfronteerd op het gebied van huisvesting.  

IKC en huisvesting

Nu een IKC uitgaat van één pedagogische en educatieve visie op en aanpak van de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 13 jaar vergt dit een intensieve samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang. In deze visie past dat kinderopvang en basisonderwijs gezamenlijk worden gehuisvest in een gebouw.  

De afgelopen jaren is het aantal leerlingen op het basisonderwijs gedaald. Om leegstand zoveel mogelijk te beperken blijkt in de praktijk dat IKC’s ervoor kiezen om de kinderopvang te gaan huisvesten in het schoolgebouw. Hiervoor sluiten de kinderopvangorganisatie en de basisschool veelal een overeenkomst die wordt aangeduid als “gebruikersovereenkomst”. De achterliggende reden daarvoor is dat uit de Wet op het primair onderwijs volgt dat het basisonderwijs slechts onder bepaalde voorwaarden een huurovereenkomst met een andere partij mag aangaan. 

De vraag die speelt is of de gesloten gebruikersovereenkomst niet feitelijk gekwalificeerd dient te worden als een huurovereenkomst of als een bruikleenovereenkomst, met alle juridische consequenties van dien.

In dit artikel zal niet worden ingegaan op de vraag of het is toegestaan om op grond van specifieke onderwijsregelgeving een huurovereenkomst te sluiten, maar zal het onderscheid tussen bruikleen en huur aan bod komen. 

Bruikleen vs. huur

Een kenmerkend verschil tussen bruikleen en huur is gelegen in het al dan niet verschuldigd zijn van een tegenprestatie in ruil voor het gebruik van het gebouw. Er is sprake van een overeenkomst van bruikleen indien de bruikleen om niet is aangegaan. Zodra de bruiklener enige vergoeding voor het gebruik is verschuldigd dan wel dat de bruiklener een voldoende in geld waardeerbare tegenprestatie verricht, is van een overeenkomst van bruikleen vaak geen sprake meer. De overeenkomst wordt dan meestal als een huurovereenkomst aangemerkt. Het onderscheid is van belang, omdat een huurder rechtsbescherming geniet. De kwalificatie van de huurovereenkomst bepaalt de omvang van de huurbescherming. 

Geen ontruimingsbescherming

Indien de basisschool een deel van het gebouw gaat verhuren aan kinderopvang, is sprake van de verhuur van een zogenaamde 230a-bedrijfsruimte. Dit betekent dat een huurder normaliter ontruimingsbescherming geniet en de huurovereenkomst niet van rechtswege komt te eindigen. Specifieke onderwijsregelgeving bepaalt dat bij ingebruikgeving of verhuur door een basisschool aan een kinderopvangorganisatie de ontruimingsbescherming niet van toepassing is. Dit betekent dat een huurder geen ontruimingsbescherming geniet. Dit laat onverlet de omstandigheid dat bij eventuele gebreken aan het gebouw wel de verhuurder verantwoordelijk is. Deze regeling is immers niet uitgesloten in specifieke onderwijsregelgeving. De verhuurder is verplicht een gebrek aan het gebouw te verhelpen zodra de huurder dit verlangt. Ook in het geval het gebouw in strijd met een wettelijk voorschrift in gebruik wordt gegeven, kan van een gebrek sprake zijn welke voor rekening komt van de verhuurder.

Praktijk

In de praktijk wordt er tussen de kinderopvangorganisatie en de basisschool vaak gebruik gemaakt van bruikleen, waarbij de kinderdopvangorganisatie een vergoeding betaalt. De vraag is of er dan geen sprake is van huur. De betiteling van de overeenkomst is daarbij niet relevant, maar van belang is wat partijen voor ogen stond en hoe tussen partijen feitelijk invulling aan de relatie wordt gegeven. Een oplossing kan zijn dat er tussen partijen een zuivere bruikleenovereenkomst tot stand komt, waarbij de kinderopvangorganisatie slechts een vergoeding betaalt voor de exploitatiekosten.

Wees u zich er wel van bewust dat de samenwerking vergaande gevolgen kan hebben dan in eerste instantie op basis van de titel van de overeenkomst lijkt.

Tot slot

Mocht u na het lezen van dit artikel vragen of opmerkingen hebben, neemt u dan contact op met Eva Muller of Ellen Jooren of één van de specialisten van de sector Onderwijs.