Hoogte vergoeding in kennelijk onredelijk ontslagzaken

donderdag, 30 oktober 2008

Het Hof Den Haag komt terug op zijn eerdere uitspraken en neemt voortaan de kantonrechtersformule in de zogenaamde kennelijk onredelijk ontslagzaken tot uitgangspunt. Daarmee is meer duidelijkheid gecreëerd over de berekeningswijze van de schadevergoeding in kennelijk onredelijk ontslagzaken. 

Zodra de werknemer van oordeel is dat de opzegging van zijn dienstverband kennelijk onredelijk is, omdat naar zijn mening de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang dat de werkgever bij het ontslag heeft, kan de werknemer de zogenaamde kennelijk onredelijk ontslagprocedure starten. In die procedure vordert hij dan van zijn voormalig werkgever een schadevergoeding. 

De kantonrechtersformule, geformuleerd door de Kring van Kantonrechters, wordt toegepast in de ontbindingsprocedure, waarbij de arbeidsovereenkomst van de werknemer wegens veranderingen in de omstandigheden door een rechter wordt ontbonden en waarbij de rechter van mening is dat een vergoeding naar billijkheid op zijn plaats is. De rechtspraak is verdeeld over de vraag of de kantonrechtersformule ook in de kennelijk onredelijk ontslagprocedure moet worden toegepast. Maatschappelijk is het niet goed uit te leggen waarom de beide ontslagroutes (CWI en kennelijk onredelijk ontslag versus ontbinding) tot een verschillende aanspraak op (schade)vergoeding zouden moeten leiden. Dat betekent dat de hoogte van de vergoeding mede afhankelijk is van de willekeurig te kiezen ontslagroute, veelal door de werkgever.

Aan de andere kant bestaan er belangrijke verschillen tussen de opzeggingsprocedure via de CWI en de ontbindingsprocedure via de kantonrechter. De ontbindingsprocedure is een naar verhouding en in vergelijking tot de opzeggingsprocedure via de CWI, snelle procedure waarbij de lengte van de opzegtermijn geen rol speelt. Met name de duur van een CWI-procedure en de lengte van de opzegtermijn maken dat de werkgever veelal een langere periode van salarisbetaling heeft dan in geval een ontbindingsprocedure. Daar staat tegenover dat het criterium kennelijk onredelijk in de zogenaamde kennelijk onredelijk ontslagprocedure een strenger toetsingscriterium is dan “verandering in de omstandigheden” in een ontbindingsprocedure. Ofwel, de kantonrechter komt in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure minder snel toe aan het toekennen van een schadevergoeding dan in geval van een ontbindingsprocedure.

Het Haagse Hof heeft recent afstand gedaan van zijn voormalig standpunt door de kantonrechtersformule als basis te nemen voor de hoogte van de schadevergoeding in de kennelijk onredelijk ontslagprocedure. Daarmee poogt het Haagse Hof duidelijkheid te creëren over de berekeningswijze van de schadevergoeding. Het Hof acht het wel gerechtvaardigd om de uitkomst van de formule te verlagen met 30 % met een minimum van een maandsalaris. Rechtvaardiging voor die verlaging vindt het Hof in het toetsingscriterium (dat zwaarder is in geval van een ontbindingsprocedure), de lengte van de opzegtermijn en de duur van de CWI-procedure en de daaraan verbonden verplichting tot loondoorbetaling voor de werkgever.

Het oordeel van het Hof laat onverlet dat voor toekenning van een schadevergoeding conform de kantonrechtersformule minus 30 % er wel altijd eerst dient te worden vastgesteld dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Feit blijft dat dat criterium een strengere toets met zich meebrengt dan die van “verandering in de omstandigheden” in een ontbindingsprocedure. De verwachting is dat na het Hof Den Haag ook in de lagere rechtspraak aansluiting zal worden gezocht bij deze berekeningswijze.

Auteur