Gewezen bestuurder VOF aansprakelijk voor verschuldigde belasting VOF ondanks onderlinge afspraken vennoten

woensdag, 24 maart 2010

In dit artikel zal het arrest van het hof Arnhem d.d. 22 september 2009 (JOR 2010, 51) worden besproken. In dit arrest oordeelt het hof over de vraag of een gewezen bestuurder van de VOF aansprakelijk is voor verschuldigde belasting ondanks dat de vennoten onderling andere afspraken hebben gemaakt.

Casus

De VOF is opgericht op 12 maart 2001 door belanghebbende (“belanghebbende”), B en C. Belanghebbende is op 31 december 2003 als vennoot uitgetreden. Hij stond gedurende die periode ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als beperkt bevoegd vennoot. In een zogenoemde aanvullende overeenkomst van 23 maart 2001 is tussen belanghebbende en de andere vennoten B en C overeengekomen dat belanghebbende niet aansprakelijk is voor de schulden van de VOF vanwege het feit dat hij alleen vergunningen en diploma’s in de VOF heeft ingebracht.

Op 26 maart 2007 zijn belanghebbende en de andere vennoten B en C aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden van de VOF. Bij uitspraak op bezwaar is de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de naheffingsaanslagen over het jaar 2004 en de jaren daarna komen te vervallen.

De aansprakelijkstelling betreft na de uitspraak op bezwaar de onbetaald gebleven gedeelten van de navolgende naheffingsaanslagen: (i) de naheffingsaanslag loonbelasting over het jaar 2002 voor een bedrag van € 802,00 en (ii) de naheffingsaanslag loonbelasting over het jaar 2003 voor een bedrag van € 3.843,00. Aldus in totaal een bedrag ad € 4.645,00. Op 9 mei 2007 zijn de (overige) vennoten van de VOF (B en C) failliet verklaard.

In geschil is of belanghebbende, zoals de Belastingdienst beweert, terecht aansprakelijk is gesteld voor een gedeelte van de belastingschulden van de VOF. Belanghebbende meent dat dit niet het geval is.. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld. Hiertegen is belanghebbende in hoger beroep gegaan bij het hof.

Rechtsoverwegingen van het hof

De belanghebbende stelt dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld. Hij voert hiertoe in hoger beroep aan dat hij sinds 31 december 2003 geen vennoot meer is. Verder voert belanghebbende in hoger beroep nog aan dat de belastingdienst vijf jaren de tijd heeft gehad om zich te verhalen op de goederen van de VOF. Hij meent dat de Ontvanger direct had moeten reageren toen de aanslagen van de VOF onbetaald bleven. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende wederom gewezen op de bepaling in de aanvullende overeenkomst. Volgens belanghebbende is hem bij het sluiten daarvan niet meegedeeld dat dit niet voor belastingschulden geldt. Tenslotte stelt belanghebbende dat hij door zijn voormalige medevennoten is benadeeld en dat de Ontvanger daarom eerst de andere vennoten aansprakelijk had moeten stellen.

De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschulden. Volgens de Ontvanger kan ook een gewezen bestuurder op de voet van artikel 33 Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk worden gesteld. De Ontvanger verwijst hiervoor onder meer naar de uitspraak van hof ’s-Gravenhage van 20 augustus 1998, nr. C97/644, V-N 1998/50.25.

Het hof oordeelde vervolgens als volgt.

“Ingevolge artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de IW zijn de bestuurders van de VOF hoofdelijk aansprakelijk voor de verschuldigde belasting van de VOF. Ingevolge het tweede lid daarvan, voor zover hier van belang, wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of maatschap (lees: vennootschap; red.). In artikel 18 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) is bepaald dat in vennootschappen onder firma elk der vennoten, wegens de verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden is. Op grond van artikel 33, vierde lid, van de IW is niet aansprakelijk de bestuurder voorzover deze bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat de belasting niet is voldaan. Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de IW geldt artikel 33 van de IW ook voor in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten.

Belanghebbende was, ten tijde van het ontstaan van de materiële belastingschuld waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, vennoot in de VOF. De Rechtbank heeft, onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 33 IW (het voorgestelde artikel 34 IW) geoordeeld dat ook de gewezen bestuurder van een vennootschap onder firma onder de werking van genoemd artikel kan worden gebracht en dat onderling tussen vennoten gemaakte afspraken daaraan niet afdoen. Voorts heeft de Rechtbank, voor zover thans nog van belang, geoordeeld dat de standpunten van belanghebbende dat de Ontvanger te lang heeft gewacht met de aansprakelijkstelling en dat hij eerst de overige vennoten aansprakelijk had moeten stellen, onjuist zijn.”

Het hof gaat mee met het oordeel van de rechtbank en concludeert dan ook dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

Conclusie

Uit het arrest volgt aldus dat uit hoofde van artikel 33 Iw 1990 ook de gewezen bestuurder van een VOF onder de werking van genoemd artikel kan worden gebracht en daarmee aansprakelijk is voor de niet betaalde belastingen. Dat de uitgetreden vennoot met de andere vennoten afspraken heeft gemaakt doet hieraan niet af. Aldus is het voor de gewezen vennoot van belang dat hij bij uittreding nagaat of de verschuldigde belastingen van de VOF zijn voldaan. De gewezen vennoot kan zich immers niet beroepen op het feit dat hij is uitgetreden.