Faillissement en huwelijkse voorwaarden

vrijdag, 2 oktober 2009

De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs onderzocht of de echtelijke woning en de niet verrekende overspaarde inkomsten binnen de boedel van het faillissement vallen. Normaliter gaat de faillissementswet er bij een faillissement vanuit dat alle aan beide echtgenoten toebehorende goederen in de boedel vallen. Dit betreft een uitzondering indien de echtgenoot van de gefailleerde kan bewijzen dat bepaalde goederen niet tot de gemeenschap behoren.

De Feiten

In deze zaak betrof het een failliet verklaarde V.O.F., waarvan één van de twee vennoten met zijn vrouw onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd. De curator heeft beslag laten leggen op de echtelijke woning van het echtpaar en daarnaast vordert hij van de rechtbank te bepalen dat het gehele vermogen van het echtpaar op grond van artikel 61 Fw tot het faillissement behoort.

Artikel 61 lid 5 Faillissementswet kent aan de echtgenote van de gefailleerde een recht van terugneming toe ten aanzien van alle goederen die haar toebehoren en die niet in de gemeenschap vallen. Het “recht van terugneming” is echter aan strikte bewijsvoorschriften gebonden.

In artikel 61 lid 4 Fw wordt er vanuit gegaan dat er in de boedel goederen kunnen voorkomen die gebaseerd zijn op de belegging en wederbelegging van eigen gelden van de echtgenote van de schuldenaar. Deze uit (weder)belegging resulterende goederen kan de echtgenote terugnemen, mits deze door voldoende bescheiden ten genoege van de rechter wordt bewezen.

Deze bijzondere bepaling doorkruist de regels van het huwelijksvermogensrecht in zoverre dat de goederen, indien geen bewijs is geleverd, in de boedel van de gefailleerde vallen.

Een andere vraag die de rechtbank diende te beantwoorden is of de niet verrekende overgespaarde inkomsten onder het bereik van artikel 63 Fw vallen. In artikel 63 Fw wordt als vereiste gesteld dat er een bepaalde vorm van huwelijksgemeenschap dient te bestaan. In deze casus heeft het echtpaar bij huwelijkse voorwaarden elke vorm van gemeenschap uitgesloten.

Conclusie

Uit de aan de rechtbank overgelegde stukken is de rechtbank gebleken dat gedaagde voldoende in de gelegenheid is gesteld aan te tonen dat zij voor een deel met eigen middelen de echtelijke woning heeft gefinancierd, maar dit bewijs niet heeft geleverd. De rechtbank oordeelt dan ook dat de echtelijke woning binnen de boedel van het faillissement valt.

Met betrekking tot de verrekende overspaarde inkomsten blijkt uit de door partijen in het geding gebrachte stukken dat anders dan de hypothecaire rente, welke valt onder de kosten van de huishouding en derhalve buiten het verrekenbeding, er geen aflossingen of andere beleggingen en wederbeleggingen hebben plaatsgevonden welke betaald zijn met onverdeeld overgespaarde inkomen. De rechtbank is van oordeel dat overgespaarde onverdeelde inkomsten, gelet op de huwelijkse voorwaarden, niet in de gemeenschap vallen en daarom niet onder de reikwijdte van artikel 63 Fw. De rechtbank wijst deze vordering af, waardoor de niet verrekende overspaarde inkomsten niet binnen de boedel van het faillissement vallen.

Bron: Rechtbank Rotterdam 19 augustus 2009, BJ8456