Executoriaal beslag door ontvanger op aandeel van deelgenoot

woensdag, 1 april 2009

In de onderhavige zaak heeft de ontvanger executoriaal beslag gelegd op onroerende zaken die mede in eigendom toebehoren aan de echtgenote van belastingschuldige. In hoger beroep hebben eisers aangevoerd dat het beslag op de panden waarvan eiseres twee mede-eigenares is, geen doel treft, omdat de ontvanger slechts beslag had mogen leggen op het aandeel van eisers. 

Het hof heeft evenwel geoordeeld dat evident is dat de ontvanger in casu slechts het aandeel van eiser 1 in beslag kon nemen en in beslag heeft genomen. Dat niet expliciet in het beslagexploot is vermeld dat eiser 1 voor de helft eigenaar van de litigieuze onroerende zaken is, betekent volgens het hof niet dat het desbetreffende beslag per ommegaande opgeheven, dan wel nietig dient te worden verklaard. 

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. Ook voor een executoriaal beslag als het onderhavige geldt namelijk hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2001, nr. C99/184, NJ 2002, 380, heeft overwogen ten aanzien van het daar aan de orde zijnde conservatoir beslag, te weten: “(...) Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken. (...)

Uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Bij de executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. (…) Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed.” Wel heeft het hof volgens de Hoge Raad met juistheid geoordeeld dat art. 505 Rv slechts betekening aan de geëxecuteerde voorschrijft en dat dit niet meebrengt dat, indien beslag is gelegd op het aandeel van de geëxecuteerde in een onroerende zaak, tevens betekening moet geschieden aan de mede-eigenaar(a)r(en) daarvan.

Hoge Raad 19 december 2008, LJN BG1816

 

Auteur