EU-Hof: rechterlijke controle in mededingingszaken is EVRM-proof

maandag, 19 december 2011

De controle die het Gerecht van de Europese Unie toepast op besluiten van de Europese Commissie in mededingingszaken is in overeenstemming met het Handvest van de Grondrechten van de EU. Dit principiële standpunt kan worden gezien als het antwoord van het EU-Hof op de commotie die was ontstaan als gevolg van de uitspraak van het Mensenrechtenhof Straatsburg in de zaak Menarini.

Het EU-Hof komt tot zijn standpunt in zijn arresten van 8 december 2011 in de hoger beroepsprocedures die door de ondernemingen Chalkor (zaak C-386/10) en KME (zaken C-272/09 P en C-389/10 P) waren ingesteld tegen eerdere uitspraken van het Gerecht van de EU. De ondernemingen in kwestie waren beboet wegens kartelvorming op de markt voor industriële koperen leidingbuizen. Zij stelden voor het EU-Hof dat het Gerecht hun recht op daadwerkelijke rechtsbescherming had geschonden, door de boetebesluiten van de Commissie onvoldoende te toetsen.

Soortgelijke verwijten waren aan de orde in de zaak Menarini, waarover het Mensenrechtenhof te Straatsburg op 27 september 2011 uitspraak deed. In dat arrest oordeelde het Mensenrechtenhof dat de Italiaanse rechter een volledige beoordeling moet verrichten in beroepen tegen boetebesluiten van Italiaanse mededingsautoriteiten. Dit omdat de boete door de zwaarte ervan in wezen neerkwam op een strafsanctie, waarvoor artikel 6 EVRM een volledige beoordeling eist. Het Mensenrechtenhof kwam overigens tot de conclusie dat die volledige beoordeling inderdaad had plaats gevonden.

Naar aanleiding van deze uitspraak is discussie ontstaan over de EVRM-conformiteit van het EU-systeem van rechterlijke controle op mededingingsbesluiten van de Europese Commissie. Temeer omdat EU-rechters regelmatig verwijzen naar de complexe economische beoordelingen die de Commissie moet maken en de terughoudende rol van de rechter daarin.