Duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd; opzegbaar, of toch niet?

woensdag, 27 juli 2016

Er ontstaan met regelmaat geschillen omtrent de opzegbaarheid van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Hierbij staat steeds de vraag centraal of de betreffende duurovereenkomst opzegbaar is. In twee recente arresten heeft de Hoge Raad zich hier nogmaals over uitgelaten.

Bij een duurovereenkomst verbinden partijen zich voor een langere periode aan elkaar. In tegenstelling tot een aflopende overeenkomst, eindigt de duurovereenkomst daarom niet zodra het betreffende werk is voltooid.  

De Nederlandse wetgeving bevat geen algemene regels voor de opzegbaarheid van onbenoemde duurovereenkomsten. De thans geldende hoofdregel dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn, volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit geldt ook wanneer de overeenkomst geen opzegbepaling bevat. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter meebrengen dat opzegging niet mogelijk is zonder voldoende zwaarwegende grond, inachtneming van een bepaalde opzegtermijn of betaling van een schadevergoeding.

Middels een arrest van 15 april 2016 heeft de Hoge Raad de hoofdregel nader uitgewerkt. Het ging in deze zaak om een participantenovereenkomst tussen de Stichting Gooisch Natuurreservaat, de provincie Noord-Holland, de gemeente Amsterdam en zes andere gemeenten. De gemeente Amsterdam heeft de overeenkomst vervolgens opgezegd. De stichting meende dat dit niet mogelijk was, omdat de overeenkomst niet voorzag in een opzegmogelijkheid.

Het hof oordeelde in lijn met eerdere rechtspraak en overwoog dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn. In cassatie heeft de Hoge Raad deze overweging wat genuanceerd en voegde hieraan toe dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd naar de bedoeling van partijen ook niet-opzegbaar kan zijn. Als de overeenkomst niet voorziet in een opzegmogelijkheid, rust op de partij die zich op niet-opzegbaarheid beroept de stelplicht en bewijslast. Dit laat echter onverlet dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden eventuele niet-opzegbaarheid onaanvaardbaar kan zijn.

Een aanvulling op bovenstaande regel gaf de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2016, waarin het ging om een overeenkomst tussen het Pensioenfonds en Alcatel-Lucent. Het Pensioenfonds voerde de pensioenregeling uit van Alcatel-Lucent. Aan deze pensioenregeling lag een uitvoeringsovereenkomst ten grondslag, waarin een opzegregeling was opgenomen. Alcatel-Lucent heeft deze overeenkomst vervolgens opgezegd.

De Hoge Raad bevestigde in dit arrest de rechtsregels uit eerdere jurisprudentie over opzegbaarheid van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Daarop voortbordurend overwoog de Hoge Raad dat ook al is een opzegregeling opgenomen, de eisen van redelijkheid en billijkheid aan opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment of opzegging zonder schadevergoeding in de weg kunnen staan. De aard en inhoud van de overeenkomst, evenals de omstandigheden van het geval, spelen hierbij een belangrijke rol.

Concluderend kan worden gesteld dat niet-opzegbaarheid een uitzondering blijft op de hoofdregel dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn. Met zijn recente rechtspraak lijkt de Hoge Raad deze uitzondering echter steeds verder te nuanceren. Dit komt de rechtszekerheid niet ten goede. Duidelijke en goed besproken afspraken, vastgelegd in een schriftelijk contract, kunnen dit (gedeeltelijk) ondervangen.