Derde versie wetsvoorstel beperking goederengemeenschap

dinsdag, 15 september 2015

Op 11 juli 2014 hebben de Kamerleden Berndsen-Jansen, Recourt en Van Oosten (hierna: de initiatiefnemers) het initiatiefwetsvoorstel beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen (33 987, nr. 2) bij de Tweede Kamer ingediend. Dat wetsvoorstel werd reeds op 30 september 2014 onder meer naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State gewijzigd (33 987, nr. 5). In mijn artikel “Wetsvoorstel beperking goederengemeenschap: een kritische noot!” (EB november/december 2014/92) heb ik het initiatief om te komen tot een beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen toegejuicht. Wel heb ik voorgesteld tegelijkertijd de bestaande en door de invoering verder optredende problemen op te lossen. Daartoe heb ik zeven kritische noten bij het wetsvoorstel geplaatst. In dit artikel zal ik ingaan op de reactie van de initiatiefnemers tot het wetsvoorstel en de wijzigingen bespreken, die de initiatiefnemers in hun “Nota naar aanleiding van het nader verslag” op 8 juni 2015 (33 987, nr. 10) en in hun “Nota van wijziging” van 20 augustus 2015 (33 987, nr. 11) hebben toegelicht.  

1. Literatuur  

Naast mijn in de inleiding genoemde artikel, hebben gereageerd: W.G. Huijgen (“Wetsvoorstel 33 987: naar een beperkte gemeenschap als wettelijk stelsel van huwelijksvermogensrecht?”, JBN 2014/11, “De nieuwe beperkte gemeenschap van goederen: nog meer problemen gesignaleerd”, FtV 2015/1 nr. 4 en “Problemen rond de nieuwe beperkte gemeenschap van goederen: een vervolg”, JBN 2015/2), B.E. Reinhartz (“Scènes uit een huwelijk”, FJR 2015/3), H.J.T. Vos (“Wijziging van het huwelijksvermogensrecht”, FtV 2014/12), J.H. Lieber (“De gemeenschap van goederen alsnog beperkt”, WPNR 29 november 2014/7041), T.M. Subelack (“Nieuw huwelijksvermogensrecht vanuit het perspectief van een echtscheiding(sadvocaat)”, WPNR 13 december 2014/7043), T.J. Mellema-Kranenburg (“Maakt wetsvoorstel 33 987 huwelijkse voorwaarden overbodig of juist noodzakelijk?”, WPNR 2015/7054) R. Barbaix (“Een nieuw Nederlands huwelijksvermogensrecht? Geruststellende berichten uit het Zuiden”, FtV april 2015/21) en S. Perrick (“Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort”, WPNR juni/juli 2015/7069). Met name de artikelen van Huijgen, Reinhartz en Subelack hebben tot vragen geleid in de Tweede Kamer, naar aanleiding waarvan de initiatiefnemers hun wetsvoorstel op een vijftal nader te bespreken punten hebben aangepast.  

2. Bewijsvermoeden schulden  

In art. 1:94 lid 8 (nieuw) BW is een bewijsvermoeden opgenomen met betrekking tot goederen. Als echtgenoten strijden over de vraag aan wie een goed toebehoort en geen van hen kan zijn recht bewijzen, dan wordt het goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Subelack heeft aandacht gevraagd voor het feit dat het bewijsvermoeden voor wat betreft schulden in het wetsvoorstel ontbreekt. De initiatiefnemers zijn het met hem eens en voegden bij nota van wijziging aan het voorgestelde art. 1:94 lid 8 (nieuw) BW een bewijsvermoeden ten aanzien van schulden toe.  

3. Eenvoudige gemeenschap  

Diverse schrijvers hebben met mij opgemerkt dat het lastig zal zijn aan het eind van het huwelijk te werken met drie vermogens en de daarmee verband houdende onduidelijkheid over de vraag, welke goederen gemeenschappelijk dan wel privé-eigendom zijn. Sommige schrijvers spreken zelfs over vier vermogens, nu naast de privévermogens van beide partijen en het vermogen dat behoort tot de wettelijke gemeenschap, sprake kan zijn van eenvoudige gemeenschappen, die zijn ontstaan toen de echtelieden voor het huwelijk met elkaar samenwoonden. Volgens de initiatiefnemers vormen die laatste categorie goederen geen vierde vermogen. Als bijvoorbeeld de twee echtelieden voor het huwelijk een woning in eenvoudige gemeenschap hebben verkregen, behoort ieders onverdeeld aandeel in die woning tot het eigen vermogen van ieder van de echtgenoten. Er is geen sprake van een afgescheiden vermogen, zoals de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. Juridisch technisch is dit juist, maar de willekeurige geletterde leek begrijpt dat niet. Dat onderkenden de initiatiefnemers. Daarom zijn zij bereid geweest bij nota van wijziging een aanpassing aan het wetsvoorstel aan te brengen, zodanig dat goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoren of nadien door hen gezamenlijk worden verkregen, in de gemeenschap vallen. In die gevallen waarin daardoor sprake is van een vermogensverschuiving, omdat de echtgenoten (bewust) niet voor 50/50% eigenaar zijn geworden van het goed, verdwijnt die ongelijke verdeling. De echtelieden hebben huwelijksvoorwaarden nodig, als zij die ongelijkheid willen laten voortbestaan.  

Ik vraag mij af of het nodig is om voor het huwelijk in eenvoudige gemeenschap verkregen goederen bij wet aan de beperkte gemeenschap toe te voegen. Voor de problemen, die aan het einde van het huwelijk met betrekking tot eenvoudige gemeenschappen moeten worden opgelost, maakt het niets uit of sprake is van een eenvoudige dan wel een gebonden gemeenschap. Anderzijds is het handig dat er tijdens het huwelijk voor alle gemeenschapsgoederen één bestuursregeling ontstaat (die van art. 1:97 lid 1 BW) en één verhaalsregeling voor crediteuren. Dat laatste argument was in België reden voor hervormingsplannen, zodanig dat voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen en gemeenschappelijke schulden worden behandeld als waren het goederen en schulden, die in de gebonden gemeenschap vallen. Verwezen wordt naar het hiervoor genoemde artikel van R. Barbaix. Misschien is de Europese rechtseenheid gebaat met een klein stapje: het zowel in Nederland als in België invoeren van een gelijk stelsel, te weten het stelsel dat voorhuwelijks gezamenlijk vermogen en schulden worden behandeld als behorende tot een gebonden gemeenschap. Daar tegenover staat dat wordt gebroken met het principe van het wetsvoorstel, dat voorhuwelijks vermogen buiten de beperkte gemeenschap van goederen valt. Daarvoor hebben de wetsvoorstellers gekozen, door ook alle goederen, die reeds voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, in de gebonden gemeenschap te doen vallen.  

4. Verhaal schulden  

In art. 1:96 lid 3 (nieuw) BW is geregeld het verhaal op de goederen van de gemeenschap, voor een privéschuld van een echtgenoot. Dat verhaal is beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt aan de andere echtgenoot toe en valt dan buiten de gemeenschap. Wanneer een schuldeiser verhaal zoekt op een goed van de gemeenschap ten behoeve van de voldoening van een niet tot de gemeenschap behorende schuld, heeft die andere echtgenoot het recht tot overname van het goed tegen betaling van de helft van de waarde aan de gemeenschap. Daarna blijft het goed buiten de gemeenschap. Dat alles geldt echter niet in faillissementssituaties, waardoor een schuldeiser er belang bij heeft zo snel mogelijk het faillissement aan te vragen van de betreffende echtgenoot. M.C.J.M. Hermus heeft voor dit probleem aandacht gevraagd in zijn artikel “Huwelijksvermogen in faillissementssituaties”, EB 2015/12.  

In faillissementssituaties heeft de echtgenoot niet-schuldenaar conform de art. 22 en 63 Fw een terugneemrecht voor de goederen, waarvan kan worden aangetoond dat deze privégoederen zijn. In het huidige art. 61 Fw is het moeilijk het bewijs van het bestaan van een privégoed te leveren. Daarvoor bestaat in art. 61 lid 2 tot en met 4 Fw een verscherpte bewijsregeling. Die wordt geschrapt, zodat dit bewijs volgens het initiatiefwetsvoorstel met alle middelen kan worden geleverd. Daardoor zal de andere echtgenoot veel gemakkelijker privévermogen kunnen terugnemen. Dan is het niet wenselijk om het recht op de helft van de executieopbrengst en het overnamerecht ten gunste van de andere echtgenoot te laten voortbestaan. Dit recht wordt bij nota van wijziging beperkt tot verhaalsituaties buiten faillissement.  

5. Winsten uit een voorhuwelijkse onderneming  

In mijn artikel “Wetsvoorstel beperking goederengemeenschap: een kritische noot!” heb ik kritiek geleverd op het feit dat de wetgever aan de zaaksvervangingsregel van art. 1:95 BW twee artikelen heeft toegevoegd, die niets met zaaksvervanging te maken hebben. Volgens het oorspronkelijke artikel 1:95 lid 3 (nieuw) BW komen ten bate of ten laste van de gemeenschap vergoedingen ter grootte van de winsten en verliezen van de onderneming, indien ondernemingsvermogen buiten de gemeenschap valt of wanneer de onderneming wordt gevoerd in de vorm van een vennootschap. Aldus komen winsten en verliezen van een voorhuwelijkse onderneming ten goede of ten laste van de nieuwe gemeenschap. Waarom is dat het geval? De initiatiefnemers wijzen op het uitgangspunt, dat hetgeen tijdens het huwelijk verdiend wordt of verloren gaat, nou eenmaal ten bate of ten laste van de gemeenschap moet komen. Ik heb mij afgevraagd waarom dat per se nodig is. Waarom zou de overwinst van een voorhuwelijkse onderneming (nadat alle kosten van de huishouding, belastingen en overige gezamenlijke lasten zijn betaald) per se ten bate of ten laste van de gemeenschap moeten komen? Aansluiting kan toch ook worden gezocht bij het tweede beginsel van de initiatiefnemers, te weten dat vruchten en schulden, die samenhangen met een voorhuwelijks vermogen, niet in de gemeenschap vallen.  

Reinhartz heeft in haar hiervoor genoemde bijdrage opgemerkt, dat art. 1:95 lid 3 (nieuw) BW niet werkbaar is in de praktijk. Het antwoord van de initiatiefnemers is dat deze bepaling in de vorm van art. 1:126 oud BW sinds 1970 tientallen jaren heeft bestaan voor de beperkte gemeenschappen van winst en verlies en van vruchten en inkomsten. In die jaren is volgens de initiatiefnemers in de rechtspraak niet gebleken dat die bepaling onwerkbaar is. Dit antwoord volstaat geenszins en lijkt zelfs een drogreden. De voorheen in de wet benoemde beperkte gemeenschappen van winst en verlies en vruchten en inkomsten waren immers niet bepaald populair. In het Nader verslag (33 987 nr 9) merkten de leden van de CDA-fractie op, dat dit stelsel in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw zo impopulair was, dat slechts in 0,3 procent van de huwelijkse voorwaarden voor dit stelsel werd gekozen. In de literatuur wordt dit stelsel ook als negatief beoordeeld. In de echtscheidingspraktijk komen de beperkte gemeenschappen gelukkig zelden voor, juist omdat er sedert de jaren zeventig van de vorige eeuw weinig huwelijkse voorwaarden met dat stelsel zijn gesloten. Maar in het zeldzame geval dat daarvan sprake is, zijn ze zeer gevreesd, juist omdat de afwikkeling van deze huwelijkse voorwaarden (met name vanwege de diverse naast elkaar staande gemeenschappen) een crime blijkt te zijn. Onder die omstandigheden volstaat het antwoord van de initiatiefnemers in het geheel niet.  

De oorspronkelijke tekst van artikel 1:95 lid 3 en 4 BW lijkt voorts op die van art. 1:141 lid 4 en 5 BW. Sinds hun invoering op 1 september 2002 heeft die regeling tot een stroom aan jurisprudentie geleid. Op dit moment, ruim dertien jaar later, is daar nog lang geen einde aan gekomen. Dat blijkt recent nog uit het artikel van T.M. Subelack in EB september 2015/75 onder de titel: Opgepotte winst en periodiek verrekenbeding: wat moet er verrekend worden?”. Zoals in de art. 1:141 lid 4 en 5 BW wordt in de voorgestelde art. 1:95 lid 3 en 4 (nieuw) BW het delen van de “overwinst” gekoppeld aan een boterzacht criterium, te weten “voor zover dit in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd”. Subelack en ik hebben gewezen op de voor de rechtspraktijk funeste onduidelijkheden, die een gevolg zijn van het niet gedefinieerde winstbegrip. Wat moet worden verstaan onder uitkeerbare winst?  

De initiatiefnemers onderschrijven dat de invulling van art. 95 lid 3 en 4 (nieuw) BW verduidelijking behoeft. Bij nota van wijziging hebben zij daarom een aanpassing van dit artikel doorgevoerd. De strekking daarvan is dat de kennis, vaardigheden en arbeid van een echtgenoot tijdens het huwelijk ten goede dienen te komen aan de gemeenschap. Als een echtgenoot tijdens het huwelijk inspanning pleegt ten behoeve van vermogen dat niet tot de gemeenschap behoort, dan dient het resultaat van die inspanningen ten gunste te komen van de gemeenschap. De omvang van dit vergoedingsrecht blijft echter variabel en hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarmee zal de stroom aan jurisprudentie, die is gevolgd op de inwerkingtreding van de art. 1:141 lid 4 en 5 BW, zich vertakken in twee stromen van gelijke dikte: die van art. 1:95 lid 3 en 4 (nieuw) BW komt erbij. Dat geldt te meer nu de initiatiefnemers onderkennen dat het winstbegrip van laatstgenoemde artikelen (getransformeerd naar: een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid) niet geheel overeenkomt met het winstbegrip van de eerstgenoemde artikelen. In art. 1:141 lid 4 en 5 BW zou het gaan om “de opgepotte winsten als zodanig”, terwijl het winstbegrip van art. 1:95 lid 3 en 4 (nieuw) BW ziet op het in de onderneming achtergebleven vermogen, dat toe te rekenen is aan inspanningen van een echtgenoot, welke als vergoeding ten gunste van de gemeenschap dient te worden gebracht. Wat is: een redelijke vergoeding voor de kennisvaardigheden en arbeid, die een echtgenoot daartoe heeft aangewend? Het bestaan en de aanpassingen van art. 1:95 lid 4 en 5 BW leiden tot rechtsonzekerheid ten top, die in het geheel niet nodig was geweest als de initiatiefnemers deze artikelen eenvoudigweg uit hun initiatiefwetsvoorstel zouden schrappen en de cesuur helder en duidelijk zouden leggen bij het wezen van huwelijks, dan wel voorhuwelijks vermogen.  

6. Draagplicht schulden  

In art. 1:96 lid 7 (nieuw) BW is een regeling getroffen voor schulden van de gemeenschap, voor het geval het totaal daarvan bij de ontbinding van de gemeenschap groter is dan de waarde van de goederen van de gemeenschap. Die regeling geldt dus voor een negatieve boedel. Het is echter mogelijk dat een echtgenoot een schuld is aangegaan ten behoeve van de voldoening van andere schulden van de gemeenschap. De aard van de schuld brengt dan mee dat deze gedragen dient te worden door beide echtgenoten. De initiatiefnemers onderkennen dat deze regeling omtrent een afwijkende draagplicht tot onbillijke situaties aanleiding kan geven. Daarom hebben zij deze regeling willen aanpassen. Nu de regeling over de draagplicht van de schulden alleen van toepassing is na ontbinding van de gemeenschap en nadat is gebleken dat de goederen van de gemeenschap ontoereikend zijn om de schulden te voldoen, wordt art. 1:96 lid 7 (nieuw) BW niet alleen aangepast, maar ook verplaatst naar art. 1:100 BW. Gehandhaafd wordt als hoofdregel een gelijke draagplicht van schulden, tenzij uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schuld dit niet rechtvaardigt. De bewijslast wordt daarmee verplaatst naar de echtgenoot, die meent dat afgeweken dient te worden van een gelijke draagplicht.  

7. Verknochtheid en zaaksvervanging  

In mijn artikel “Wetsvoorstel beperking goederengemeenschap: een kritische noot!” heb ik een lans gebroken voor het opnemen van een expliciete bepaling in het wetsvoorstel, waaruit blijkt dat de zaaksvervangingsregeling gelijkelijk geldt voor alle privégoederen, dus zowel voor bij uitsluitingsclausule verkregen goederen als verknochte goederen. Dat zal immers een hoop duidelijkheid brengen. De initiatiefnemers hebben in hun Nota naar aanleiding van het verslag van 24 februari 2015 (33 987, nr. 8) op vragen van de SP-fractie gereageerd op mijn in genoemd artikel gemotiveerde wens de zaaksvervangingsregeling ook voor verknochte goederen te laten gelden. Zij gaven aan daar niets voor te voelen. Zij beroepen zich op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 2008 (NJ 2009/40 en RFR 2008/129), die ik in mijn voormeld artikel ook reeds heb genoemd. De initiatiefnemers citeren uit die uitspraak nou juist die rechtsoverweging (r.o. 3.3.), die géén antwoord geeft op de vraag waarom de zaaksvervangingsleer bij verknochtheid niet zou gelden. De Hoge Raad heeft in die rechtsoverweging slechts aangegeven dat een goed dat in de plaats komt van een verknocht goed, niet eveneens verknocht hoeft te zijn. Daarmee heeft de Hoge Raad echter niet geoordeeld, dat de zaaksvervangingsleer niet voor verknochte goederen zou gelden. Ik ben van mening dat uit art. 1:95 lid 1 BW reeds volgt, dat de zaaksvervangingsleer ook van toepassing is op verknochte goederen. Omdat de literatuur daarover echter niet eenduidig is, zou ik het een groot goed vinden, als de initiatiefnemers die duidelijkheid expliciet in de wet opnemen. Dat geldt te meer omdat de initiatiefnemers in hun antwoord op het gestelde in mijn artikel (Nota naar aanleiding van het verslag van 24 februari 2015, 33 987, nr. 8, p. 45 en 46) duidelijk laten zien, dat zij de problematiek niet begrijpen. Zij menen dat voor goederen, die in de plaats treden van verknochte goederen de verknochtheidstoets behoort te gelden. Dat is echter alleen het geval, als wordt gesteld dat de in de plaats gekomen goederen ook verknocht zijn. Maar waarom zou dat gesteld moeten worden. Een voorbeeld maakt dit duidelijk.  

“Een in gemeenschap van goederen gehuwde vrouw ontvangt een immateriële schadevergoedingsuitkering van € 200.000. Zij koopt voor datzelfde bedrag een vakantiehuis, dat aan haar wordt geleverd en dat wordt betaald met genoemde uitkering. Haar man ontvangt van zijn suikertante een erfenis onder uitsluitingsclausule ter grootte van € 200.000. Hij koopt voor dat bedrag een beleggingspand, dat aan hem wordt geleverd en wordt betaald door middel van het bedrag dat de man onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Vallen het verworven vakantiehuis respectievelijk beleggingspand in de gemeenschap van goederen?  

Ik zou menen dat geen van beide panden in de gemeenschap valt. In art. 1:95 lid 1 BW staat immers dat het betreffende goed buiten de gemeenschap blijft, indien het goed bij de verkrijging voor meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van het eigen vermogen is gekomen. Het vakantiehuis is ten laste gekomen van het eigen vermogen van de vrouw en het beleggingspand ten laste van het eigen vermogen van de man. Beide blijven buiten de gemeenschap. De initiatiefnemers suggereren echter een andere oplossing. Zij menen dat het vakantiehuis in de gemeenschap van goederen is gevallen, als de vrouw niet zou kunnen aantonen dat dat vakantiehuis aan haar verknocht is. Dat kan zij uiteraard niet aantonen, want een vakantiehuis is naar zijn aard niet verknocht. Daarmee miskennen de initiatiefnemers echter de werking van art. 1:95 lid 1 BW. Dat is jammer. Zij zouden deze onduidelijkheid heel eenvoudig hebben kunnen oplossen, door te erkennen, dat onder “zijn eigen vermogen” als omschreven in art. 1:95 lid 1 BW ook het verknochte vermogen valt.

De initiatiefnemers spreken over bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad en verwijzen dan naar de ook in mijn artikel genoemde uitspraken van de Hoge Raad van 26 september 2008 (RFR 2008/129) en 7 december 2012 (RFR 2013/17). Zij miskennen echter dat de Hoge Raad in geen van beide genoemde uitspraken heeft geoordeeld dat de zaaksvervangingsleer van art. 1:95 lid 1 BW niet geldt voor verknochte gelden. De Hoge Raad heeft in eerstgenoemde zaak slechts aangegeven, dat het met verknocht geld gekochte perceel grond niet verknocht is en in de tweede uitspraak dat het voor de verknochte vordering in de plaats komende geld wel verknocht is. Daarmee heeft de Hoge Raad niet gezegd dat de zaaksvervangingsleer van art. 1:95 lid 1 BW niet zou gelden voor verknocht geld. Anders gezegd: de Hoge Raad heeft in geen van beide uitspraken gezegd, dat een verknocht geldbedrag niet zou zijn “eigen vermogen” als bedoeld in art. 1:95 lid 1 BW.

In de Nota naar aanleiding van het verslag van 24 februari 2015 (33 987, nr. 8) maken de initiatiefnemers op pagina 46 de verwarring compleet, door het voorbeeld te hanteren van een aandeel in een personenvennootschap. Dat aandeel zou volgens de heersende rechtspraak verknocht zijn, aldus de initiatiefnemers. Wanneer echter tijdens het bestaan van de beperkte gemeenschap het aandeel in een personenvennootschap wordt overgedragen, dan zou de daarvoor in de plaats tredende uitkoopsom in de gemeenschap behoren te vallen. De initiatiefnemers miskennen hiermee dat volgens de heersende rechtsopvatting een aandeel in een personenvennootschap weliswaar verknocht is, maar dat de waarde daarvan naar huidig recht in de gemeenschap valt. Dat is niet het geval bij (en daarom is dit voorbeeld niet te vergelijken met) een immateriële schadevergoedingsvordering. Zoals gezegd maken de initiatiefnemers op deze wijze de verwarring compleet. Willen zij nu beweren dat de kort na huwelijkssluiting ontvangen uitkoopsom voor een aandeel dat één van de twee echtelieden voor het huwelijk heeft gehad in een personenvennootschap, in de beperkte gemeenschap van goederen valt? Dat past toch niet in de eigen strategie om voorhuwelijks vermogen buiten de gemeenschap te laten vallen? Waarom zouden de initiatiefnemers niet eenvoudigweg erkennen dat de zaaksvervangingsleer van art. 1:95 lid 1 BW ook van toepassing is, als het eigen vermogen bestaat uit verknocht vermogen (zoals die zaaksvervangingsleer ook geldt wanneer sprake is van een met uitsluitingsclausule verkregen eigen vermogen). Anders moeten we wachten op de Hoge Raad, die tot mijn grote vreugde op 1 mei 2015 (ECLI:2015:1199 en RFR 2015/93) in een (andere) specifieke casus de zaaksvervangingsleer heeft uitgebreid. Wanneer de Tweede Kamer noch de initiatiefnemers uit de Tweede Kamer deze problematiek willen aanpakken, is mijn hoop erop gevestigd dat de Hoge Raad de zaaksvervangingsleer op alle in art. 1:95 lid 1 BW genoemde goederen van toepassing verklaart, ook als de tegenprestatie bij de verkrijging van het goed voor meer dan de helft ten laste komt van het eigen verknochte vermogen.

Prof. dr. R. Barbaix, hoofddocent aan de Universiteit Antwerpen en partner bij HCMGB Advocaten, heeft in haar hiervoor genoemde artikel aangegeven dat een huwelijksvermogensrechtelijk regime met drie vermogens werkbaar zal zijn, als voldaan is aan drie waarborgen. Er moeten duidelijke regelingen zijn inzake het bewijs van het statuut van de goederen. Die duidelijke regeling is er via het rechtsvermoeden van art. 1:94 lid 8 (nieuw) BW. Verder moet er een regeling zijn voor vergoedingen bij verschuivingen tussen een eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Daarin is voorzien. Tenslotte dient de wet een duidelijke regeling te bevatten inzake zaaksvervanging. Die regeling is er in het wetsvoorstel niet, zolang in art. 1:95 lid 1 BW niet expliciet wordt opgenomen (of in de wetsgeschiedenis van onderhavig wetsvoorstel wordt vastgelegd!), dat de zaaksvervangingsleer ook geldt in het geval het eigen vermogen van art. 1:95 lid 1 BW bestaat uit verknocht vermogen. Waarom zouden we geen wijze lessen van onze zuiderburen willen aannemen? In België is immers al sinds 1976 ervaring opgedaan met het onderscheid tussen wat men daar noemt het aanwinstenvermogen en het niet-aanwinstenvermogen. Waarom zouden wij in Nederland steeds weer de Hoge Raad de kooltjes uit het vuur laten halen, daar waar de wetgever een unieke mogelijkheid heeft de problematiek van zaaksvervanging en het verknochte vermogen te regelen? Zoals Barbaix aan het eind van haar genoemde artikel terecht aangeeft, biedt het Belgische recht de Nederlandse wetgever de opportuniteit om lessen te trekken uit de mankementen van de zuiderburen en die meteen te verhelpen. Misschien zou het ook een goed idee zijn eens te kijken naar de lessen, die de initiatiefnemers kunnen trekken uit het Franse recht, dat immers eenzelfde stelsel kent als het Belgische en het door de initiatiefnemers gewenste rechtsstelsel. Mijn oproep aan de initiatiefnemers is: ga vooral door met het wetsvoorstel, maar los de hiervoor genoemde problemen op. Daar is het Nederlandse volk mee gebaat.