De stoelendans bij een reorganisatie: principieel onjuist

woensdag, 27 oktober 2010

Recent heeft de kantonrechter te Almelo zich uitgesproken over de toelaatbaarheid van de methode – De Blécourt (stoelendans) als selectiecriterium bij een reorganisatie.

Werknemer is sinds 1991 bij een arbodienst in dienst als adviesteammanager. De werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege bedrijfseconomische redenen:  er is sprake van een structurele krimp van de markt voor arbodienstverlening. Daardoor is de functie van werknemer komen te vervallen.
Bij een reorganisatie dienen objectieve criteria als leidraad te gelden voor het antwoord op de vraag welke werknemers hun baan verliezen. Hoofdregel daarbij is het zogeheten afspiegelingsbeginsel. Dit beginsel impliceert dat er niet mag worden geselecteerd op basis van kwaliteit.

In deze uitspraak had de arbodienst echter niet het afspiegelingsbeginsel gehanteerd maar de selectiecriteria gezocht in de zogenaamde stoelendans-methode. De werking daarvan is een kwaliteitsslag te maken door boven een groep gelijksoortige functies, nieuwe (veelal hogere) functies te creëren en daar iedereen op te laten solliciteren. De werkgever kan dan zelf bepalen wie voor die hogere functie in aanmerking komt. De werknemers die niet geschikt worden bevonden zullen vervolgens in het kader van de reorganisatie dienen af te vloeien, zo ook de adviesteammanager in kwestie. De kantonrechter heeft in deze zaak echter een probleem met de gehanteerde stoelendans-methode omdat er langs deze weg ontegenzeggelijk een kwaliteitsslag wordt gemaakt: werkgever kan de beste mensen uitkiezen terwijl dat nu juist de bedoeling van een reorganisatie niet is. De kantonrechter oordeelt dat hij zich weliswaar niet mag bemoeien met reorganisaties op zichzelf maar wel met de spelregels die daarvoor gelden. Zodra de nieuw gecreëerde functie- zoals in deze zaak waar de functie verschillen minimaal waren - heel dicht bij de oude functie komt te liggen dan is er nauwelijks nog sprake van een nieuwe functie. In dat geval gaat de stoelendans-methode als selectiecriterium bij de reorganisatie gelden en dat vindt de kantonrechter principieel onjuist. De rechter merkt daarbij nog op dat indien de arbodienst meent dat de werknemer niet geschikt is voor die nieuwe functie zij een andere grond voor de ontbinding dient aan te voeren en dat de bedrijfseconomische grond in dit geval een doodlopende weg is.

Op basis van deze overwegingen heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen.

 

Auteur