De nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie toegepast

woensdag, 26 juni 2013

Langzaam beginnen er uitspraken te verschijnen waarin de nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie zijn toegepast. Een bijzondere uitspraak van de Rechtbank Den Haag dateert van 5 juni 2013 (LJN: CA2341).

Wat speelde er in deze zaak? Na hun scheiding hadden partijen steeds uitvoering gegeven aan een co-ouderschapsregeling. Daarover was nu discussie ontstaan. De rechtbank achtte het op dit moment het meest in het belang van de drie kinderen dat zij hun hoofdverblijfplaats bij moeder zouden hebben, besliste dienovereenkomstig en stelde een zorgregeling vast. Deze hield in dat vader de kinderen voortaan eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zondagavond bij zich heeft, en eenmaal per twee weken een doordeweekse dag. Ook de te betalen kinderalimentatie was in geschil. Bij de beslechting hiervan paste de rechtbank de nieuwe richtlijnen toe.

Allereerst komt de rechtbank toe aan de vaststelling van de behoefte. Zij overweegt dat daartoe het netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk wordt bepaald, een en ander te verhogen met het kindgebonden budget. Zij overweegt ook dat partijen het erover eens zijn dat zij ten tijde van de samenleving geen aanspraak maakten op een kindgebonden budget, zodat hierdoor niet gedeeltelijk al in de behoefte van de minderjarigen werd voorzien. Deze overwegingen zijn met elkaar in strijd.

Volgens de nieuwe systematiek dient voor de vaststelling van de behoefte van een kind (lees: het tabelbedrag) eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen te worden bepaald. Bij de berekening dient het tijdens de relatie eventueel ontvangen kindgebonden budget te worden meegenomen. Aan de hand van dit berekende netto besteedbare inkomen moet het tabelbedrag vastgesteld worden. Van dit tabelbedrag moet worden afgetrokken het eventueel door de verzorgende ouder ná het uiteengaan ontvangen kindgebonden budget, zodat het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de kosten van het kind resteert. Van het tabelbedrag moet volgens de richtlijnen niet, zoals de rechtbank overweegt, het tijdens de relatie eventueel ontvangen kindgebonden budget in mindering worden gebracht. Dit zou een dubbeltelling betekenen, want dit kindgebonden budget wordt al meegenomen bij de vaststelling van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Een hoger netto besteedbaar gezinsinkomen brengt een hoger tabelbedrag mee.

Nadat de rechtbank het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen heeft vastgesteld, komt zij toe aan de berekening van de draagkracht van de ouders.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw ter vaststelling van haar draagkracht op € 1.822,- per maand. Bij de vaststelling van haar draagkracht volgens de daarvoor geldende formule, houdt de rechtbank vervolgens rekening met de werkelijke woonlasten van de vrouw (€ 900,- per maand) in plaats van het forfaitaire bedrag op basis van 30% van het netto besteedbare inkomen van de vrouw (€ 546,- per maand). Dit omdat onbetwist door de vrouw is gesteld dat als er geen rekening wordt gehouden met haar werkelijke woonlasten, zij niet in haar noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. Dit zou voor haar leiden tot een onaanvaardbaar resultaat.

De proceshouding van de man speelt uiteraard een rol. Maar het is bijzonder dat bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw, zo begrijp ik, de aanvaardbaarheidstoets al wordt aangelegd. Want het Rapport Alimentatienormen 2013 versie 2 zegt dat het op de weg ligt van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat “de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dat specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen”. Dat betekent volgens mij dat de aanvaardbaarheidstoets pas aan de orde kan komen op het moment dat de bijdrage is berekend die iedere onderhoudsplichtige voor zijn of haar rekening dient te nemen. Beziet men dan de situatie, dan is het maar de vraag of de uitkomst van deze berekening maakt dat de vrouw niet in haar noodzakelijke kosten van bestaan zou kunnen voorzien en – als dat het geval zou zijn – dat met de volledige werkelijke woonlast van de vrouw rekening zou moeten worden gehouden. Want in de behoefte van de kinderen is ook een bedrag voor woonlasten begrepen. In het onderhavige geval was er bij partijen voldoende ruimte om in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien.

De aanvaardbaarheidstoets zou pas als uiterst redmiddel aan de orde moeten komen en — blijkens het Rapport Alimentatienormen — bovendien pas indien sprake is van extra lasten. Doet een onderhoudsplichtige een beroep op de aanvaardbaarheidstoets, dan moet deze door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken inzicht geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. Mijns inziens kan dus niet snel rekening worden gehouden met een andere dan de forfaitaire woonlast. Wordt daar anders mee omgegaan, dan zijn de nieuwe richtlijnen in feite een dode letter. In dit geval betekent het meenemen van de werkelijke woonlasten van de vrouw dat haar draagkracht eigenlijk overeenkomstig de oude richtlijnen wordt vastgesteld. Het enige verschil is het forfaitaire bedrag dat aan ziektekosten is meegenomen, maar dat scheelt wellicht een tientje.

Uit de praktijk blijkt dat men op diverse manieren lijkt te zoeken naar mogelijkheden om toch met een meer reële woonlast rekening te houden. Zo schijnt een discussie te zijn ontstaan over het meenemen van 15% van het netto besteedbaar inkomen als forfaitaire woonlast in het geval dat een onderhoudsplichtige samenwoont. Het lijkt mij niet de bedoeling dat er straks verschillende variaties bestaan van het meenemen van bepaalde lasten. Dit maakt de berekening van kinderalimentatie straks misschien nog wel complexer en onvoorspelbaarder dan voorheen. Uit het feit dat men zoekt naar mogelijkheden om met een meer reële woonlast rekening te houden, lijkt overigens te kunnen worden opgemaakt dat het draagvlak voor het meenemen van - in ieder geval - forfaitaire woonlasten in de praktijk niet groot is.

Het kan dan ook tot zeer onredelijke uitkomsten leiden. Neem bijvoorbeeld de situatie dat een onderhoudsplichtige een netto besteedbaar inkomen heeft van € 5.000,- per maand. Op basis van de huidige richtlijnen wordt in dat geval met een forfaitaire woonlast gerekend van € 1.500,- per maand. Zou de werkelijke woonlast van deze onderhoudsplichtige € 1.200,- netto per maand bedragen en woont hij ook nog samen, dan komt zijn werkelijke woonlast neer op € 600,- per maand. Ten opzichte van het oude systeem betekent dit een lagere draagkracht van 70% (€ 1.500 – € 600) = € 630 per maand. Het kan zelfs zo zijn dat, omdat voor partneralimentatie wel wordt gerekend met de oude richtlijnen, er in het kader van de vaststelling van partneralimentatie meer draagkracht is dan in het kader van de vaststelling van kinderalimentatie. Dat is vreemd, zeker gezien de doelstelling van de nieuwe richtlijnen: meer prioriteit geven aan kinderalimentatie.

En wat nu als een onderhoudsplichtige moeder hertrouwt? Wordt dan ter bepaling van de draagkracht van moeder en stiefvader bij ieder rekening gehouden met een forfaitaire woonlast van 30% van hun netto besteedbaar inkomen, terwijl het één en dezelfde woonlast betreft?

En hoe zit het in het kader van voorlopige voorzieningen als de man, zoals in veel gevallen, naast zijn eigen woonlast ook de lasten van de echtelijke woning voor zijn rekening neemt? Wordt in dat geval ter bepaling van de draagkracht van de vrouw nog steeds gerekend met een forfaitaire woonlast?

Terug naar de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Na de berekening van de draagkracht van partijen en ieders aandeel in de kosten van de kinderen komt de rechtbank toe aan de zorgkorting. Gelet op de vastgestelde zorgregeling, gaat de rechtbank uit van een zorgkorting van 25%. De rechtbank overweegt vervolgens dat zij het “redelijk acht de zorgkorting alleen te berekenen over het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen en niet over de totale behoefte”.

Het is wellicht goed om hier even bij stil te staan. Het Rapport Alimentatienormen zegt onder punt 5.2.2 namelijk het volgende: “De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week - vakanties meegerekend - dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.” De toelichting op de nieuwe richtlijnen zegt onder punt 5 echter “De kosten van het verblijf bij en de zorg van de andere ouder worden forfaitair verwerkt door middel van een korting (ook: de zorgkorting) van in beginsel 15% van het eigen aandeel kosten kinderen, na vermindering met het kindgebonden budget.

Het lijkt erop dat de Rechtbank Den Haag, gelet op de tekst van het Rapport Alimentatienormen ervan uitgaat dat de zorgkorting berekend dient te worden over het tabelbedrag zonder dat daarop eerst het te ontvangen kindgebonden budget in mindering dient te worden gebracht. De toelichting op de richtlijnen evenals het webcollege dat te vinden is via de volgende link http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Nieuwe-berekening-kinderalimentatie-vastgesteld.aspx gaan er echter van uit dat de zorgkorting berekend dient te worden over het tabelbedrag ná aftrek van het door de verzorgende ouder na scheiding te ontvangen kindgebonden budget.

In de onderhavige zaak berekende de rechtbank een tabelbedrag van (geïndexeerd) € 1.515,- per maand. Het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget bedroeg € 183,-. Dit brengt het bedrag dat voor rekening van de ouders komt op (€ 1.515 – € 183 = ) € 1.332 per maand. Het aandeel van de vrouw berekende de rechtbank op 26,- euro. Het aandeel van de man op € 1.306,-.

Een berekening van de zorgkorting over het tabelbedrag zou neerkomen op een bedrag van (afgerond) € 379,- euro (25% van € 1.515,-). De berekening van de zorgkorting overeenkomstig de toelichting zou een zorgkorting hebben meegebracht van € 333,- (25% van € 1.332,-). De rechtbank acht het echter redelijk om uit te gaan van een zorgkorting berekend op geheel eigen wijze, die neerkomt op een bedrag van (25% van € 1.306 = ) € 327,-.

Zoals blijkt uit de toelichting, verkoos de werkgroep de nieuwe richtlijnen boven de oude rekenystematiek en andere benaderingen die als alternatief zijn gepubliceerd. De Werkgroep deed dat vanuit onder meer de wens tot vereenvoudiging en de voorspelbaarheid. Van deze doelstellingen lijkt nu al weinig terecht te komen. Hopelijk komt de politiek alsnog met een beter alternatief. Navraag bij de VVD leert dat er dit jaar alsnog een wetsvoorstel komt, in vervolg op de nota van de VVD en PvdA voor de berekening van kinderalimentatie.