De gewijzigde Woningwet

vrijdag, 1 augustus 2003

De Woningwet (hierna Ww) is op 1 januari 2003 ingrijpend gewijzigd. Zo is de melding voor de categorie minder omvangrijke bouwwerken komen te vervallen. Hiervoor is in de plaats gekomen de ‘lichte’ bouwvergunning. Daarnaast is de categorie vergunningvrije bouwwerken verruimd, de welstandstoets gewijzigd en heeft de gefaseerde bouwvergunningverlening een wettelijke basis gekregen. 

Lichte en reguliere bouwvergunningen

De hoofdregel blijft dat het verboden is te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (artikel 40 Ww), met dien verstande dat de wet voor enkele type bouwwerken een uitzondering maakt.

De wet brengt geen wijziging in het zogenaamde limitatief-imperatieve karakter van de bouwvergunningverlening; ook wel genaamd het gebonden karakter van de bouwvergunning. Kortweg houdt dit in, dat de wetgever in artikel 44 van de Ww de voorwaarden voor de plicht tot weigering van een vergunning, zowel als de voorwaarden voor de plicht tot verlening van de vergunning heeft gegeven, met andere woorden: de gronden waarop een bouwvergunning moet worden verleend, dan wel moet worden geweigerd staan in de wet vermeld. De belangrijkste zijn het bestemmingsplan en het Bouwbesluit.

In de Ww is nu een onderscheid opgenomen voor de toetsing van reguliere en lichte bouwaanvragen.

In de systematiek van de wet is elk bouwwerk waarvoor bouwvergunning is vereist regulier, tenzij het bouwwerk bij het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken,hierna Blbl, is uitgezonderd, zodat voor de laatste categorie de lichtere toets van toepassing is. Een lichte bouwvergunning wordt op minder aspecten getoetst dan een reguliere bouwvergunning. In art. 4, 5 en 6 van bovengemeld besluit is een opsomming gegeven van de betreffende bouwwerken.

Voor de lichte bouwaanvragen heeft er een gedeeltelijke aanpassing van de toetsingsgronden plaatsgevonden en is de beslistermijn verkort. De limitatief-imperatieve gronden waarop deze bouwwerken worden beoordeeld zijn het Bouwbesluit (voor zover het de constructieve veiligheid betreft), de stedenbouwkundige voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening, zoals bijvoorbeeld de rooilijnbepalingen, het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand en het vereiste van een monumentenvergunning. Het inwinnen van welstandsadvies of de stadsbouwmeester is niet verplicht.

Hoewel deze bouwplannen niet (preventief) worden getoetst aan bepaalde delen van het Bouwbesluit, geldt dat de aanvrager wel deze eisen in acht moet nemen. De aanvrager verklaart door ondertekening van de aanvraag dat het bouwwerk aan deze eisen voldoet.
De beslistermijn is verkort van 13 weken naar 6 weken, gerekend vanaf de indiening en na het ongebruikt laten verstrijken van deze termijn is er sprake van een vergunning van rechtswege(art. 46 lid 4 Ww).

Voor de regulier-vergunningplichtige bouwwerken is nieuw dat indien een bouwwerk (volgens het welstandsadvies) in strijd is met de redelijke eisen van welstand burgemeester en wethouders toch een bouwvergunning moeten verlenen, indien er naar hun oordeel andere belangen ertoe noden dat de vergunning toch wordt verleend. Hierbij wordt gedoeld op economische of maatschappelijke belangen.

De beslistermijn is (enigszins) verkort van 13 naar 12 weken en kan eenmalig met ten hoogste 6 weken worden verlengd. De verplichting de verdagingsbeslissing ter goedkeuring voor te leggen aan de gemeenteraad is vervallen. Overigens geldt ook hier dat een vergunning van rechtswege ontstaat in het geval niet binnen de gestelde termijn op de aanvraag is beslist. Zijn de bouwwerken (licht, dan wel regulier) niet overeenkomstig het bestemmingsplan, dan kan er niet van rechtswege een vergunning ontstaan.

Gefaseerde bouwvergunning 

De oude Woningwet regelde dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid hadden een bouwaanvraag toch ontvankelijk te verklaren, terwijl niet alle gegevens en bescheiden door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt. Dit wordt de gefaseerde behandeling van de bouwaanvraag genoemd. Deze vorm van behandeling biedt uitkomst bij grote en gecompliceerde bouwprojecten. Er bestond echter geen recht op gefaseerde behandeling. De nieuwe Woningwet geeft nu uitsluitend voor de reguliere bouwvergunning een wettelijke basis aan de gefaseerde behandeling (art. 56a Ww).

Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in fasen verleend. Indien een aanvrager om gefaseerde behandeling verzoekt, moeten burgemeester en wethouders daarop ingaan. De toetsing van een bouwaanvraag beperkt zich dan in de eerste fase tot: 

  • de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening;
  • het bestemmingsplan;
  • welstandscriteria;
  • de aanwezigheid van een monumentenvergunning.

In de tweede fase wordt vervolgens beoordeeld of het bouwplan aan het Bouwbesluit en aan de bouwverordening (met uitzondering van de stedenbouwkundige bepalingen) voldoet. De beslistermijn bedraagt tweemaal zes weken en kan worden verlengd met zes weken(artikel 46 lid 1 sub c Ww).
Nadat de “bouwvergunning eerste fase” is verleend, mag niet meer aan deze weigeringsgronden worden getoetst, tenzij als gevolg van de tweede fase naar het oordeel van burgemeester en wethouders een wijziging in het bouwplan optreedt. Burgemeester en wethouders stellen in dat geval de indiener in de gelegenheid om binnen 5 weken een gewijzigde bouwaanvraag eerste fase in te dienen. De in tweede instantie verleende “bouwvergunning eerste fase” treedt in de plaats van de oorspronkelijke vergunning. Dient de aanvrager geen nieuwe aanvraag in, dan is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd met ingang van de dag dat de voormelde 5 weken termijn is verstreken.

Welstandstoezicht

Het welstandstoezicht is - onder meer vanwege de (maatschappelijke) kritiek dat dit toezicht te subjectief is – gewijzigd. Heel in het kort komt de nieuwe regeling hierop neer. Burgemeester en wethouders mogen het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk alleen toetsen aan de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria, die in een welstandsnota zijn neergelegd (art. 12a lid 1 Ww). De wet voorziet daarnaast in de openbaarheid van vergaderingen van de welstandscommissies, in het afleggen van verantwoording door middel van jaarverslagen en in een grotere doorstroming van de leden van de commissies.

Het welstandsoordeel is weliswaar zowel ten aanzien van de reguliere als van lichte bouwvergunningen een verplichte weigeringsgrond, maar het inwinnen van een welstandsadvies is ten aanzien van lichte bouwvergunningen niet verplicht. Indien de gemeenteraad voor deze laatste categorie welstandstoezicht wil uitoefenen is zij verplicht daarvoor in een welstandsnota zogenaamde loket-criteria vast te stellen, met als doel de burger zelf vooraf te laten vaststellen of het plan voldoet aan de welstandseisen. Overigens geldt voor alle bouwwerken (met uitzondering van de tijdelijke)dat zij niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met de redelijke eisen van welstand(de zogenoemde excessenregeling, artikel 19 Ww).

Vergunningvrije bouwwerken

Tot slot is nog van belang te vermelden dat de wet de categorie vergunningvrije bouwwerken in stand laat en deze hoeveelheid bouwwerken zelfs heeft uitgebreid. De betreffende bouwwerken zijn hoofdzakelijk terug te vinden in artikel 2 en 3 van het Bblb.
Hoewel deze bouwwerken vergunningvrij zijn, betekent dit niet dat voor deze bouwwerken geen regels zou gelden. Zo moeten de eisen van het Bouwbesluit in acht worden genomen en mag, zoals al is vermeld, er geen sprake zijn van strijd met de redelijke eisen van welstand. Daarnaast zijn soms de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan van toepassing. De gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan kunnen bijvoorbeeld een rol spelen in het geval het gebruik van het bouwvergunningsvrij gebouwde bouwwerk afwijkt van het in het Bblb aangegeven gebruiksdoel.