De gebondenheid aan (en de tenuitvoerlegging van) een bindend advies uitspraak

maandag, 4 januari 2010

In zijn arrest d.d. 22 december 2009 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of partijen gebonden waren aan de tussen hen gewezen uitspraak in een bindend advies procedure. In die bindend advies procedure had de bindend adviseur – nadat hij uitspraak had gedaan – zijn onderzoek hervat nadat er door één der procespartijen op werd gewezen dat de bindend adviseur bij zijn onderzoek geen acht had geslagen op tijdig in het geding gebrachte stukken. De Hoge Raad oordeelt dat in het kader van het essentiële beginsel van hoor en wederhoor de bindend adviseur tot het oordeel kon komen dat de behandeling van het geschil zodanig gebrekkig was dat het geschil in zijn geheel opnieuw diende te worden behandeld en beslist.

Feiten

Begin 2002 sluiten A en B een vermogenbeheerovereenkomst (hierna: “overeenkomst”). A heeft vervolgens een bedrag ad EUR 136.134,06 aan te beheren vermogen ingelegd. B is als vermogensbeheerder aangesloten bij het Dutch Securities Institute (“DSI”). DSI voorziet in een regeling voor geschillen tussen een DSI-deelnemer (waaronder B) en het beleggend publiek (waaronder A).

Op 10 september 2002 zegt A de overeenkomst op. Het door B belegde vermogen was op dat moment met circa EUR 40.000,- in waarde gedaald. Op 12 november 2002 dient A een klacht in bij de Klachtencommissie DSI tegen B en tegen Binck Bank N.V., waar de effectenportefeuille van A was ondergebracht. A eiste vergoeding van het door hem geleden verlies, omdat de door B uitgevoerde beleggingshandelingen niet zouden corresponderen met de afgesproken beleggingstactiek “defensief”.

Bij bindend advies d.d. 18 november 2003 heeft de Klachtencommissie de klacht van A op alle onderdelen ongegrond bevonden. A gaat in hoger beroep, doch  (aanvankelijk) zonder succes: bij uitspraak d.d. 31 augustus 2004 bevestigt de Commissie van Beroep de eerdere beslissing van de Klachtencommissie.

A en diens raadsman zijn ontstemd en doen hun ongenoegen blijken over de uitspraak van de Commissie van Beroep, omdat deze zou zijn genomen zonder acht te slaan op de stukken die A op 16 augustus 2004 (vóór de mondelinge behandeling ter zitting) conform een met de secretaris van de Commissie van Beroep gemaakte afspraak bij de Commissie van Beroep had laten bezorgen. A kon zelf niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn. A en diens raadsman verzoeken - gezien het voorgaande - om heropening van het onderzoek althans herziening van de beslissing.

De voorzitter van de Commissie van Beroep honoreert het verzoek en heropent het onderzoek, omdat zulks naar de eisen van redelijkheid en billijkheid geboden zou zijn. Op 17 januari 2005 heeft de mondelinge behandeling van de heropende zaak plaatsgevonden. Op 24 februari daaropvolgend doet de Commissie van Beroep opnieuw uitspraak met inachtneming van alle door partijen in het geding gebrachte stukken. De Commissie van Beroep acht de klachten van A nu wél gegrond en oordeelt (bij wijze van bindend advies) dat B haar zorgplicht jegens A heeft geschonden door het in beheer gegeven vermogen risicovol te beleggen terwijl een defensieve strategie was afgesproken. De toegekende schadevergoeding bedraagt EUR 35.000,-.

Rechterlijke procedure

B weigert vrijwillig aan het bindend advies van de Commissie van Beroep te voldoen. Omdat een bindend advies uitspraak geen executoriale titel oplevert, zal in een dergelijk geval nakoming van de bindend advies uitspraak moeten worden gevorderd bij de rechtbank. Zo geschiedde ook in onderhavige zaak. De vordering van A wordt door de rechtbank toegewezen: B is – conform de uitspraak in bindend advies – gehouden EUR 35.000,- te betalen aan A.

B gaat echter in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam. Het gerechtshof oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en dat de vordering van A alsnog moet worden afgewezen. Het gerechtshof voert hiertoe aan dat het, gelet op de wijze waarop het (heropende) bindend advies tot stand is gekomen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat B aan dat advies wordt gehouden. Het gerechtshof oordeelt dat het feit dat de Commissie van Beroep een beslissing heeft genomen zonder dat zij acht heeft geslagen op alle aanwezig stukken weliswaar een ernstige procedurefout is, doch dat deze fout slechts aanleiding kan geven tot herziening van de eerste beslissing in bindend advies indien door die fout nadeel is toegebracht aan de in het ongelijk gestelde partij (B). Nu dit niet het geval was, oordeelt het gerechtshof dat de Commissie van Beroep de behandeling van de zaak niet had mogen heropenen en dat de tweede (herziene) uitspraak in bindend advies zodoende niet had mogen worden gegeven.

Het oordeel van de Hoge Raad

A laat het hier niet bij zitten en wendt zich tot de Hoge Raad. De Hoge Raad stelt A alsnog in het gelijk. De Hoge Raad voert, verwijzend naar eerdere rechtspraak, aan dat tot uitgangspunt dient te worden genomen dat alleen ernstige gebreken kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de wederpartij te houden aan de door een bindend adviseur in opdracht van partijen gegeven beslissing over een geschil. De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat de ernstige gebreken schuilen in het feit dat de Commissie van Beroep, optredend als bindend adviseur, de door A alsnog in het geding gebrachte stukken ten onrechte heeft aangegrepen om het geschil van partijen opnieuw te behandelen.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat in het licht van het essentiële beginsel van hoor en wederhoor de Commissie van Beroep echter zeer wel tot het oordeel kon komen dat de behandeling van het geschil (in eerste instantie) zodanig gebrekkig was dat het geschil in zijn geheel opnieuw diende te worden behandeld en beslist. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam (waarmee de uitspraak van de rechtbank “herleeft” en A zodoende recht heeft op schadevergoeding ad EUR 35.000,-) en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Gravenhage.

Conclusie

De Hoge Raad lijkt hiermee aan te geven dat (de tenuitvoerlegging van) een uitspraak in bindend advies niet te snel mag worden gedwarsboomd door de interventie van de overheidsrechter. Er kunnen, zoals ook in onderhavige zaak, goede gronden zijn voor een bindend adviseur om (in dit geval) een onderzoek te heropenen en zijn beslissing te herzien. Indien een bindend adviseur door een zogenaamde “ernstige procedurefout” enig fundamenteel rechtsbeginsel schendt, heeft hij het recht deze schending op te heffen en (bijvoorbeeld) de behandeling van de zaak te heropenen en zijn beslissing te herzien.

Hoge Raad 22 december 2009, LJN BK3585