Convenant, beschikking en executie

dinsdag, 13 juni 2006

In een eenzijdig verzoek tot echtscheiding kan aan de rechter worden gevraagd de diverse, in artikel 827 Rv genoemde nevenvoorzieningen te treffen. Dat geldt zeker sedert 2 maart 2001, toen een verruiming van artikel 827 Rv in werking is getreden. De beschikking, gegeven naar aanleiding van een eenzijdig verzoekschrift, zal vaak diverse executoriale titels bevatten. Partijen die een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding indienen, blijken vaak behoefte te hebben aan een beschikking, waarin de onderling gemaakte afspraken zijn verwoord. Bij niet voldoening aan de gemaakte afspraken moet het immers mogelijk zijn de beschikking te executeren. Rechtbanken blijken echter verschillende beslissingen te geven ten aanzien van de bij gemeenschappelijk verzoekschrift verzochte nevenvoorzieningen.

Wettelijke bepalingen 
De rechtspleging in scheidingszaken is geregeld in de artikelen 814 tot en met 827 Rv. Die artikelen hebben alle betrekking op zowel een gemeenschappelijk als een eenzijdig verzoek tot echtscheiding, behoudens wanneer het betreffende artikel met zoveel woorden aangeeft dat het slechts voor één van de twee procedures geldt. Zo zijn de artikelen 816 en 817 Rv gereserveerd voor een eenzijdig verzoekschrift en artikel 819 Rv voor een gemeenschappelijk verzoek. 827 Rv, waarin de door de rechter te treffen nevenvoorzieningen zijn opgesomd, geldt zowel voor eenzijdige als gemeenschappelijke verzoekschriften. Verder gelden voor beide verzoekschriften de algemene bepalingen voor verzoekschriften, te vinden in de artikelen 429 a tot en met t Rv. In artikel 819 Rv is het navolgende bepaald:
"Betreft het een gemeenschappelijk verzoek, dan kan de rechter de getroffen onderlinge regelingen, daaronder begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, geheel of gedeeltelijk in de beschikking opnemen".
Voor wat betreft de materieelrechtelijke bepalingen, die betrekking hebben op echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt verwezen naar de artikelen 1: 150 tot en met 183 BW. Vermeld zij in dit kader dat artikel 1: 173 lid 1 BW met ingang van 1 juni 2001 is gewijzigd. De scheiding van tafel en bed komt sedertdien niet tot stand door het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking, waarin scheiding van tafel en bed is uitgesproken, maar door inschrijving van die beschikking in het huwelijksgoederenregister. 

Voor gemeenschappelijke verzoekschriften gelden derhalve nagenoeg dezelfde wetsartikelen als voor eenzijdige verzoekschriften. Toch blijkt het in de praktijk veel moeilijker executoriale beslissingen te verkrijgen na het indienen van gemeenschappelijke verzoekschriften, dan als gevolg van eenzijdige verzoeken. Verwezen wordt ook naar mijn artikel "Boedelscheiding opnemen in beschikking", verschenen in EB december 1998 pagina 3 tot en met 6.

Executoriale titel 
Scheidende echtelieden hebben er belang bij dat concrete beslissingen of afspraken, die na echtscheiding moeten worden nagekomen, zorgvuldig en duidelijk worden vastgelegd in een convenant en in een beschikking. Dat belang zou niet zo groot zijn, als iedereen nakomt of uitvoert hetgeen is afgesproken of door de rechter is opgelegd. Dat iedereen doet hetgeen hij/zij heeft toegezegd of de rechter heeft opgelegd, is echter een utopie. Blijkt één der partijen na echtscheiding toch niet trouw te zijn aan het gegeven woord, dan moet de andere partij op eenvoudige wijze nakoming kunnen afdwingen. Partijen die op gemeenschappelijk verzoek gaan scheiden, hebben evenveel belang bij een executoriale titel als partijen die een eenzijdig verzoekschrift indienen. 

Ook wanneer een gemeenschappelijk verzoekschrift volgt op een geslaagde scheidingsbemiddeling, is het van belang, dat gemaakte afspraken direct afdwingbaar zijn. Er is niets op tegen de rechter te vragen, die afspraken in de beschikking op te nemen. De partij die daar bezwaar tegen maakt, laadt de verdenking op zich niet onder alle omstandigheden bereid te zijn het afgesprokene na te komen. 
Een executoriale titel kan worden gevraagd ten aanzien van diverse voorzieningen. De in een convenant opgenomen afspraken met betrekking tot partner- en kinderalimentatie behoren in een beschikking te worden vastgelegd. Een advocaat die nalaat vastlegging in een beschikking te vragen, besteedt onvoldoende zorg aan de belangen van de alimentatiegerechtigde en handelt derhalve in strijd met de gedragsregels. Het verdient sterke aanbeveling om in het petitum van een verzoekschrift met zoveel woorden aan de rechtbank te vragen "te bepalen, dat de een zal bijdragen in het levensonderhoud van de ander (of in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen), met een bepaald bedrag bruto per maand, bij vooruitbetaling per maand aan de alimentatiegerechtigde te voldoen". Daaraan zou kunnen worden toegevoegd: "een en ander overeenkomstig hetgeen partijen in artikel …….. van het op ………. (datum) gesloten echtscheidingsconvenant met elkaar zijn overeengekomen (bij wijze van nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 1 lid a of lid c Rv). Aan het petitum kan voorts worden toegevoegd, het verzoek om te bepalen "dat de alimentatieplichtige gehouden is de executiekosten te betalen, indien en voor zover hij/zij deze door niet (tijdige) betaling veroorzaakt". Sommige rechtbanken verklaren een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk, omdat het niet op de wet zou zijn gegrond. Dat is naar mijn mening een onjuiste beslissing, nu een dergelijk verzoek is gegrond op artikel 827 lid 1 a of lid c Rv. 

Het is gewaagd aan de rechtbank te verzoeken een alimentatieverplichting op te leggen "overeenkomstig hetgeen partijen dienaangaande met elkaar in het bijgesloten convenant zijn overeengekomen". Sommige rechtbanken accepteren een dergelijk verzoek en gaan in het convenant zoeken naar de afspraken, die partijen met elkaar omtrent alimentaties hebben gemaakt. Andere rechtbanken (bijvoorbeeld Arrondissementsrechtbank Roermond d.d. 18 mei 2000, zaaknummer 37863/ FA RK 2000-0409, niet gepubliceerd) wijzen een dergelijk verzoek af, omdat een nevenvoorziening expliciet in het petitum moet worden omschreven. Een verzoek om een nevenvoorziening in de beschikking op te nemen dient helder en duidelijk te worden geformuleerd. Een verwijzing naar het convenant, zoals hiervoor is aangegeven, met het verzoek aan de rechtbank om maar uit te zoeken wat partijen daarin nou precies zijn overeengekomen, vráágt om fouten en kan derhalve niet worden aanbevolen. 

Niet alle in het convenant gemaakte afspraken zijn executabel. Verwezen wordt onder meer naar hetgeen ik hieromtrent schreef in het themanummer EB over het (echt) scheidingsconvenant d.d. juli/augustus 2001 en naar mijn artikel "Boedelscheiding opnemen in beschikking" EB december 1998 pagina 5 en volgende. Uitwerkingsafspraken die op de omgangsregeling betrekking hebben, algemene in het convenant opgenomen intenties en bepaalde conditionele niet verifieerbare afspraken, kunnen niet worden geëxecuteerd. Het heeft dan ook geen zin te trachten dergelijke afspraken in een beschikking op te nemen.

Executie verdeling 
Als partijen het niet eens kunnen worden over de verdeling van een huwelijks-gemeenschap, kan bij wijze van nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1 b Rv aan de rechter worden gevraagd onder verwijzing naar artikel 3: 185 BW zelf op een bepaalde wijze de verdeling vast te stellen of de wijze van verdeling te gelasten. De tekst van artikel 3: 185 BW is niet afgestemd op een bij nevenvoorziening gevraagde verdeling. Artikel 3: 185 BW spreekt immers over het gelasten van de wijze van verdeling "op vordering" van de meest gerede partij. Kennelijk heeft de wetgever bij de redactie van artikel 3: 185 BW slechts voor ogen gehad de zelfstandige (dagvaardings!)procedure, strekkende tot verdeling van een gemeenschap. Hieronder zal daarvan een verwarringscheppend voorbeeld worden gegeven. 

Partijen hebben er belang bij een executoriale titel te verkrijgen met betrekking tot de wijze waarop de gemeenschap dient te worden verdeeld en de verplichtingen, die daaruit voor ieder van hen voortvloeien. Een van die verplichtingen kan bijvoorbeeld zijn, de betaling van een bepaald bedrag wegens overbedeling. Als de rechter de verdeling heeft vastgesteld of anderszins daaromtrent een executoriale titel is verkregen, kan die verdeling of de betaling van een bepaald bedrag door middel van de deurwaarder worden afgedwongen.

Nu bestaat er een probleem met betrekking tot een verdeling, wanneer bij gemeenschappelijk verzoekschrift echtscheiding is verzocht. In dat geval bepaalt artikel 819 Rv immers, dat de rechter de getroffen onderlinge regelingen (waaronder ook kunnen worden verstaan regelingen met betrekking tot de scheiding en deling van een huwelijksgemeenschap) geheel of gedeeltelijk in de beschikking kan opnemen, maar in artikel 3: 185 BW staat vermeld dat de rechter de wijze van verdeling kan gelasten of zelf de verdeling kan vaststellen, "voor zover de deelgenoten ………. over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen". Sommige rechtbanken trekken daaruit (mijns inziens ten onrechte!) de conclusie dat, als partijen wel tot overeenstemming kunnen komen, het niet mogelijk zou zijn die verdeling en de daaruit voortvloeiende consequenties in de beschikking vast te leggen. Verwezen wordt naar een beschikking van 19 juli 2001 van de Arrondissementsrechtbank Arnhem, zaaknummer 76374 / FA RK 01-11754 en een beschikking d.d. 1 augustus 2001 van de Arrondissementsrechtbank Utrecht, zaaknummer 132542 / FA RK 01-3435. Die beide beschikkingen zijn mij toegestuurd door mevrouw mr. J.E.M.C. Moons te Nijmegen. Zij zijn niet gepubliceerd. 

Partijen, die met elkaar overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop de gemeenschap moet worden verdeeld en over het bedrag dat de een aan de ander wegens overbedeling moet uitbetalen, hebben er belang bij dat die overeenstemming in de beschikking wordt vastgelegd. Mocht de een zich immers na echtscheiding bedenken, dan moet de ander over een executoriale titel kunnen beschikken. Dat moet de achtergrond zijn van de gedachte, die voor gemeenschappelijke verzoekschriften uit artikel 819 Rv voortvloeit. Dat moet ook de gedachte zijn achter het voor zowel eenzijdige als gemeenschappelijke verzoekschriften geldende artikel 827 lid b Rv. Lex specialis derogat legi generali, zo luidt het algemeen adagium. Het algemene, op de verdeling van toepassing zijnde artikel 3: 185 BW, dat kennelijk geschreven is voor de gevallen waarin partijen over de verdeling geen overeenstemming konden bereiken en derhalve een "vordering" bij de rechter instellen, wordt "overvleugeld" door de speciale artikelen 819 Rv (voor het gemeenschappelijk verzoekschrift) en 827 Rv inzake nevenvoorzieningen. Die artikelen geven immers met zoveel woorden aan welke nevenverzoeken in het kader van een echtscheidingsprocedure kunnen worden ingediend. Als artikel 819 Rv geen lex specialis zou zijn, die kan derogeren aan het algemene artikel 3: 185 BW, dan zou artikel 819 Rv uit de wet kunnen worden geschrapt. Ook als partijen derhalve volledige overeenstemming hebben bereikt over de wijze van verdeling van hun huwelijkse gemeenschap, kan hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen op grond van artikel 819 Rv door de rechter in de beschikking worden opgenomen. 

Executabel? 
Als een beschikking voldoende concreet is geformuleerd, is deze direct executabel. De deurwaarder kan de betreffende beschikking betekenen en kan executoriaal beslag leggen. Dat beslag vervalt als aan de beschikking is voldaan. Wanneer de beschikking echter onvoldoende concreet is geformuleerd, is tenuitvoerlegging niet of nagenoeg niet mogelijk. Dat is het geval, wanneer een beschikking vermeldt: "Verstaat dat de door verzoekers getroffen regelingen, zoals omschreven in het aangehechte convenant, als hier herhaald en overgenomen moeten worden aangemerkt". Leidt een dergelijke formulering ertoe, dat de deurwaarder (zonder nadere specifieke beslissingen van de rechtbank) tot executie kan overgaan? De praktijk leert dat dat soms niet het geval is. In dat geval schieten partijen er niets mee op in het dictum van de beschikking een dergelijke frase opgenomen te krijgen. Dat is de reden dat er rechtbanken zijn (zoals de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch) die dergelijke algemene verzoeken niet-ontvankelijk verklaren bij gebreke van een rechtens te respecteren belang. Point d'interêt, point d'action. 

Het heeft dus niet zoveel zin aan de rechtbank te verzoeken "de getroffen onderlinge regelingen met betrekking tot de scheiding en deling in de beschikking op te nemen", met name niet als de onderlinge regelingen onvoldoende concreet zijn geformuleerd. Veel zinvoller is het om aan de rechtbank te vragen "op grond van het bepaalde in artikel 819 c.q. op grond van het bepaalde in artikel 827 lid 1 sub b Rv de ene partij te veroordelen om binnen veertien dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de andere partij uit te betalen de somma ad. 
€ ………, met ingang van de vijftiende dag na echtscheiding te vermeerderen met de wettelijke rente over genoemd bedrag" of "aan de andere partij de navolgende goederen af te geven………. op straffe van een dwangsom van € …………. voor iedere dag dat partij A in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk hieraan te voldoen". 

Onderzoek rechtbanken 
Omtrent de uitvoering van de artikelen 819 en 827 Rv heb ik een aantal vragen gesteld aan de sectorvoorzitters familierecht van de negentien rechtbanken, die Nederland rijk is. Uit de beantwoording van die vragen blijkt hoe de diverse rechtbanken omgaan met de op artikel 819 respectievelijk 827 Rv gebaseerde verzoeken.

Bijna alle rechtbanken nemen desverzocht (zowel op gemeenschappelijk als op eenzijdig verzoek) in de beschikking een standaardtekst op in de trant van: "Veroordeelt partijen, de een tegenover de ander, tot naleving van de door hen getroffen onderlinge regelingen, zoals opgenomen in het door hen ondertekende convenant, dat in door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze beschikking is gehecht en daarvan deel uitmaakt". Sommige rechtbanken gaan voorts in het convenant zoeken naar voor executie vatbare afspraken (zoals die omtrent alimentatie, omgangsregeling en dergelijke) en nemen in het dictum van de beschikking dergelijke afspraken over. Andere rechtbanken volstaan met de hiervoor omschreven algemene zin in het dictum van de beschikking. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch is in voorkomende gevallen wel bereid voor executie vatbare afspraken omtrent alimentaties in het convenant op te zoeken en in het dictum over te nemen. Die rechtbank is evenwel niet bereid in het dictum "het aan dit verzoekschrift gehechte convenant te waarmerken en te bepalen dat de inhoud van het convenant deel uitmaakt van de beschikking". Gelet op de praktische problemen, die de Rechtbank 's-Hertogenbosch verwacht bij de executie van een dergelijke beschikking, vindt die rechtbank dat partijen geen belang hebben bij een dergelijke opname. Als een partij een specifieke uit een verdeling of verrekening van huwelijkse voorwaarden voortvloeiende afspraak in het dictum opgenomen wenst te zien, dan moet daar in het petitum om worden gevraagd. Dan wordt een veroordeling geformuleerd.

Tijdens het landelijk overleg van de familiesectoren van rechtbanken werd de problematiek rond opneming van convenanten in het dictum van echtscheidingsbeschikkingen besproken, zowel op 6 april 2001 als op 9 november 2001. Mr. J.W. Heyman, voorzitter van het landelijk overleg van sectorvoorzitters familie- en jeugdsectoren deelde mij mede dat vanaf nu alle rechtbanken de voor executie vatbare afspraken in het dictum van de beschikking opnemen. In het kader van harmonisering en uniformering zal het landelijk overleg zich ook gaan bezighouden met de wijze waarop de echtscheidingsbeschikkingen zijn opgesteld. In dat verband zal getracht worden meer eenheid te brengen in de onderhavige materie, dan nu bestaat. Door het landelijk overleg wordt aanbevolen om in de gevallen, waarin partijen expliciet als veroordeling geformuleerde punten in het dictum opgenomen willen hebben, dat dan ook in die vorm in het petitum van het verzoekschrift te vermelden. Hoewel sommige rechtbanken tot nu toe niet bereid waren onderlinge regelingen met betrekking tot de boedelscheiding of verrekening conform huwelijkse voorwaarden in de beschikking op te nemen (zulks vanwege de formulering van artikel 819 Rv juncto 3: 185 BW) valt te verwachten dat die rechtbanken daartoe desverzocht in de toekomst wel bereid zullen zijn, met name omdat het landelijk overleg van sectorvoorzitters dat heeft aanbevolen.

Alle rechtbanken verklaarden zich bereid om, als daarom wordt verzocht, aan een alimentatieveroordeling toe te voegen, dat de kosten van tenuitvoerlegging voor rekening van de alimentatieplichtige komen, indien en voorzover die kosten worden veroorzaakt door niet (tijdige) betaling. Er zijn rechtbanken die een dergelijke veroordeling standaard opnemen, ook indien daarom niet wordt verzocht. Sommige rechtbanken doen dat alleen wanneer het een veroordeling tot betaling van kinderalimentatie betreft, terwijl een andere rechtbank dat ook ongevraagd doet wanneer het partneralimentatie betreft. In beide gevallen meen ik dat een dergelijke nevenvoorziening wel moet worden verzocht. Anders zou de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen treden. Het is echter verheugend dat, wanneer om een dergelijke veroordeling wordt verzocht, alle rechtbanken bereid zijn deze op grond van artikel 827 lid 1 a en c toe te wijzen. Eenzelfde handelwijze behoort te gelden bij voorlopige voorzieningen, nu een dergelijke veroordeling kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 822 lid 1 a en c Rv.