Concentratie rechtsmacht (NL) voor EBB- procedure

donderdag, 5 maart 2015

Op 24 februari jl. heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot Wijziging van de Uitvoeringswet verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure als hamerstuk afgedaan (klik hier voor het wetsvoorstel tot Wijziging van de Uitvoeringswet verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure). Dit wetsvoorstel regelt dat de rechtbank Den Haag (sector Civiel) (bij uitsluiting) bevoegd is ten aanzien van verzoeken voor een Europees betalingsbevel (EBB). Deze concentratie van rechtsmacht zorgt voor vereenvoudiging voor de (buitenlandse) eiser omdat deze niet langer hoeft uit te zoeken welke Nederlandse rechter bevoegd is om het EBB-verzoek te behandelen. Met dit voorstel wordt het voor buitenlandse eisers eenvoudiger om grensoverschrijdende incassozaken te regelen. 

Aanvankelijk bestond geen duidelijkheid over de vraag of de verordening het toestond de indiening van EBB-verzoeken te concentreren bij één bepaalde rechterlijke instantie. Uit (niet-openbare) notulen van een vergadering over de uitvoering van de EBB-verordening in december 2008 blijkt dat de Europese Commissie heeft medegedeeld dat concentratie is toegestaan. Bovendien wijzen artikel 6 van de EBB-verordening en Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I) in sommige gevallen de relatief bevoegde rechter aan.  

EBB-Verordening

Op 12 december 2008 is Verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure van toepassing geworden (klik hier voor de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (Pb EU L 399 van 30.12.2006)). De verordening is van toepassing in alle lidstaten van de EU, met uitzondering van Denemarken. De verordening bevat regels voor een uniforme Europese procedure tot verkrijging van een executoriale titel voor de incasso van onbetwiste geldvorderingen voor grensoverschrijdende incassozaken. In tegenstelling tot een gewone procedure op tegenspraak, wordt in een EBB-procedure al een EBB uitgevaardigd voordat de verweerder is gehoord. De verweerder kan uitvoerbaarverklaring van het EBB uitsluitend voorkomen door indiening van een verweerschrift. Het gebruik van standaardformulieren maakt de EBB-procedure eenvoudig. Bovendien moet een EBB dat is uitgevaardigd in een lidstaat en dat uitvoerbaar is, voor de tenuitvoerlegging worden beschouwd als een bevel dat is uitgevaardigd in de lidstaat waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht. Dat betekent dat de schuldeiser een EBB rechtstreeks in een andere lidstaat ten uitvoer kan leggen, zonder hiervoor een waarmerking als Europese executoriale titel of een exequatur te hoeven vragen. Een EBB is dus een Europese titel waarmee een schuldeiser de beslissing rechtstreeks in elke andere lidstaat ten uitvoer kan leggen. De verordening strekt noch tot vervanging, noch tot harmonisatie van de bestaande mogelijkheden naar nationaal recht voor de inning van niet-betwiste schuldvorderingen. Voor Nederland betekent dit dat de schuldeiser bij grensoverschrijdende incasso van niet-betwiste schulden kan kiezen tussen de EBB-procedure en de Nederlandse dagvaarding- of verzoekschriftprocedure, afhankelijk van het onderwerp van zijn vordering. 

De verordening geldt in burgerlijke en handelszaken, met uitsluiting van belastingzaken en administratieve zaken, faillissementen en sociale zekerheid. De verordening is met name van toepassing op geldvorderingen uit overeenkomst, ongeacht de hoogte van de vordering. Vorderingen uit onrechtmatige daad en andere niet-contractuele vorderingen vallen buiten het toepassingsgebied (tenzij hierover tussen partijen een overeenkomst of schuldbekentenis bestaat of als de vordering betrekking heeft op vaststaande schulden uit hoofde van de gemeenschappelijke eigendom van goederen).  

De verordening is uitsluitend van toepassing op grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen. Grensoverschrijdend wil zeggen dat tenminste één van de partijen haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht. Een geldvordering geldt als niet-betwist in de zin van de verordening blijkt indien de verweerder na uitvaardiging van het EBB en betekening niet binnen 30 dagen verweer voert.  

EBB-procedure

Na indiening van een EBB-verzoek onderzoekt het gerecht – in de toekomst de rechtbank Den Haag – of:

  • het EBB-verzoek binnen het toepassingsgebied van de verordening valt
  • het een grensoverschrijdende zaak betreft
  • de zaak betrekking heeft op een opeisbare vordering
  • het gerecht bevoegd is van het verzoek kennis te nemen
  • alle gegevens op de juiste wijze zijn ingevuld
  • de vordering waarvoor een EBB-verzoek is ingediend, gegrond lijkt.

 

Ontbreken er gegevens, dan biedt het gerecht de eiser de gelegenheid zijn EBB-verzoek aan te vullen of te corrigeren binnen een door het gerecht gestelde termijn, tenzij het gerecht de vordering kennelijk ongegrond of het verzoek niet-ontvankelijk acht.

Een EBB verzoek wordt afgewezen met vermelding van redenen: als het niet aan de door de verordening gestelde eisen voldoet, of als de vordering kennelijk ongegrond is of de eiser niet reageert op een uitnodiging om zijn EBB-verzoek aan te vullen of te corrigeren. De eiser heeft tegen de afwijzing geen rechtsmiddel, maar kan wel een nieuw EBB-verzoek indienen of een gewone procedure over dezelfde vordering beginnen.

Als aan alle voorwaarden van de verordening is voldaan, vaardigt het gerecht zo spoedig mogelijk en normaliter binnen 30 dagen na indiening van het verzoek een EBB uit. Het gerecht draagt er zorg voor dat het EBB vervolgens overeenkomstig het nationale recht aan de verweerder wordt betekend of ter kennis gebracht volgens een methode die voldoet aan de in de verordening gestelde normen. Nederland heeft gekozen voor betekening van het EBB aan de verweerder via aangetekende post met bericht van ontvangst of bij deurwaardersexploot.

Wordt tegen het uitgevaardigde EBB tijdig een verweerschrift ingediend, dan eindigt daarmee de EBB-procedure als zodanig. De procedure moet in dat geval worden voorgezet volgens de gewone (nationale) regels van burgerlijk procesrecht (dus als een procedure op tegenspraak) voor de bevoegde rechter van de lidstaat van oorsprong, dat wil zeggen, de lidstaat waar het EBB is uitgevaardigd, tenzij de eiser heeft aangegeven dat hij in dat geval geen voorzetting wenst.

Als een EBB is uitgevaardigd en in overeenstemming met de verordening aan de verweerder is betekend en deze 30 dagen nadien geen verweerschrift heeft ingediend, verstrekt het gerecht onverwijld een EBB in uitvoerbare vorm.

Omdat de verordening van toepassing is op onbetwiste geldvorderingen en de EBB-procedure niet een procedure op tegenspraak is, is in de verordening veel aandacht besteed aan waarborgen voor de verweerder. Dit is onder meer gebeurd door in de verordening een regeling op te nemen voor de betekening of kennisgeving van het EBB aan de verweerder, voor de informatieverstrekking aan de verweerder en voor een uiterst eenvoudige manier om verweer te voeren. Speciaal voor consumentverweerders bevat de verordening in artikel 6 tweede lid daarnaast een extra waarborg door te bepalen dat een EBB tegen een consument alleen gevraagd kan worden in de lidstaat van woonplaats in de zin van artikel 59 van de Brussel I-Verordening (klik hier voor de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)).

Om het de verweerder zo eenvoudig mogelijk te maken, hoeft hij op het verweerformulier uitsluitend aan te geven dat hij de vordering betwist. Hij hoeft deze betwisting niet te motiveren.

Na het verstrijken van de termijn voor indiening van een verweerschrift heeft de verweerder in bepaalde uitzonderlijke gevallen het recht om heroverweging van het EBB te verzoeken. Gronden voor een verzoek tot heroverweging zijn een niet tijdige betekening van het EBB of het niet in staat zijn van de verweerder de EBB-vordering te betwisten door overmacht of buitengewone omstandigheden buiten zijn schuld. In de EBB–procedure is heroverweging het enige rechtsmiddel dat de verweerder ten dienste staat als eenmaal een uitvoerbaar EBB is uitgevaardigd. Daarom is als extra grond toegevoegd dat de verweerder om heroverweging kan verzoeken indien het EBB kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

Voor de EBB-procedure geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging (niet voor de eiser en niet voor de verweerder). Deze bepaling geldt niet voor de heroverwegingsprocedure; daarvoor mag elke lidstaat zijn eigen voorwaarden stellen. De Nederlandse uitvoeringswet heeft bepaald dat bij een in Nederland ingediend verzoek tot heroverweging geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt.