Commissie moet klachten staatssteun beter onderzoeken

vrijdag, 28 november 2014

Op 25 november 2014 oordeelde de Europese rechter dat er niet voldoende onderzoek was geweest naar staatssteunklachten van Ryanair. Het arrest is een welkome steun in de rug voor wie vindt dat de Europese Commissie zijn klachten niet serieus neemt – ook als er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de verenigbaarheid van bepaalde staatssteun met de interne markt.

Sinds 30 maart 2009 heft Ierland een zogeheten ‘air travel tax’ (“ATT”) van luchtvaartmaatschappijen. Zij moeten deze belasting van – inmiddels – EUR 3 voldoen voor iedere passagier die vertrekt van een Ierse luchthaven, met uitzondering van transfer- en transit-passagiers.

Ryanair maakte bezwaar tegen de ATT bij de Europese Commissie (de toezichthouder op het gebied van staatssteun). Onder meer voerde Ryanair aan dat de uitzondering voor transfer- en transit-passagiers neerkwamen op verboden staatssteun aan de Ierse luchtvaartmaatschappijen Aer Lingus en Aer Arann, die relatief veel van zulke passagiers vervoerden. Voor een prijsvechter zou de EUR 3 per passagier bovendien relatief hard aankomen.

De Europese Commissie startte daarop een voorlopig onderzoek. Op 13 juli 2011 – twee jaar later – besloot de toezichthouder dat er door de bank genomen geen sprake was van verboden staatssteun, omdat de ATT niet voldeed aan het vereiste van selectiviteit. Ryanair was het hiermee niet eens, en maakte een geding aanhangig voor het Gerecht van de EU, met de bedoeling de afwijzende beschikking van de Europese Commissie deels te laten vernietigen.

Rechterlijke toetsing

De Europese rechter stelt Ryanair grotendeels in het gelijk.

Als tijdens een voorlopig onderzoek serieuze moeilijkheden opduiken die twijfel doen rijzen over de verenigbaarheid van een bepaalde staatsmaatregel met de interne markt, is de Europese Commissie verplicht een formeel onderzoek te starten.

In dit geval was er volgens het Gerecht voldoende bewijs dat de Europese Commissie zulke ‘serieuze moeilijkheden’ was tegengekomen. Ten eerste duurde het voorlopige onderzoek – zonder dat daarvoor een goede reden was – twee jaar. Dit was op zichzelf al een indicatie dat er kennelijk iets aan de hand was. Ten tweede stelt het Gerecht vast dat er in de bestreden beschikking inconsistenties zitten, die er vermoedelijk op duidden dat de toezichthouder niet alle relevante informatie had, toen zij zich een oordeelde vormde over selectiviteit.

Relevantie voor de praktijk

De conclusie is dat met objectief en consistent bewijs meer druk uitgevoerd kan worden op de Europese Commissie om een formeel onderzoek te starten naar mogelijke verboden staatssteun. Klagers krijgen hiermee een steuntje in de rug. Zij kunnen hun strategische doelstelling – oneerlijke concurrentie bestrijden door een level playing field na te streven – meer kracht bijzetten. Immers als uit een formeel onderzoek blijkt dat er inderdaad sprake was van verboden staatssteun, moeten de concurrenten die daarvan geprofiteerd hebben die staatssteun in beginsel terugbetalen.

Feit blijft wel dat de Europese Commissie vorig jaar, bij de modernisering van de staatssteunregels, een procedurele beperking heeft ingebouwd wie mag klagen. Zowel ondernemingen als individuen mogen in principe klagen over oneerlijke concurrentie. Echter alleenbelanghebbenden zijn ontvankelijk bij een klacht over mogelijk verboden staatssteun. De klager moet daarom onder meer een wettig belang kunnen aantonen bij diens klacht. Waar deze procedurele beperking de kring van klagers danig heeft ingeperkt, leidt het onderhavige arrest juist weer tot een verruiming van de mogelijkheden op te komen tegen oneerlijke concurrentie middels verboden staatssteun.