Commentaar n.a.v. het arrest van de Hoge Raad inzake Stichting Baas in Eigen Huis tegen Plazacasa B.V. (Jaap.nl)

donderdag, 29 april 2010

Op 26 februari jl. heeft de Hoge Raad een belangwekkend arrest gewezen in de zaak van de Stiching Baas in Eigen Huis tegen Plazacasa B.V., de exploitant van de inmiddels onder velen bekende huizenwebsite www.jaap.nl. De Hoge Raad overweegt namelijk ondubbelzinnig dat het hof de door Plazacasa op de voet van artikel 1019h Rv gevorderde en gespecificeerde volledige advocaatkosten kosten niet had mogen afwijzen, nu deze überhaupt niet door de stichting waren betwist, ook niet wat betreft de redelijkheid en evenredigheid.

“Met overweging 5.2 van het Jaap-arrest heeft de Hoge Raad een einde gemaakt aan één van de vele onduidelijkheden waarmee lagere rechters worstelen sinds de introductie van de volledige proceskostenveroordeling van artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn. In vele zaken die aan het onderhavige arrest van de Hoge Raad vooraf gingen, hadden lagere rechters zich namelijk het recht ‘aangematigd’ om ambtshalve (dus zonder dat de in het ongelijkgestelde partij de gevorderde proceskosten op enigerlei wijze had betwist) een oordeel te vellen over de toewijsbaarheid en de redelijkheid van de gevorderde volledige proceskostenvergoeding.”

“Op dit punt is nu duidelijkheid gebracht door de Hoge Raad: als de op de voet van artikel 1019h Rv gevorderde proceskosten niet worden betwist, dient de rechter het gehele bedrag toe te wijzen.”

“Op vele andere punten bestaat echter nog altijd onduidelijkheid. Voor de rechtzoekende (en de advocaten die hen zo goed mogelijk willen adviseren) levert dit een grote rechtsonzekerheid op. Het is namelijk moeilijk uit te leggen aan een rechtzoekende dat het recht enerzijds een volledige proceskostenvergoeding kent, maar het anderzijds vooraf nauwelijks te voorspellen is hoe hoog die proceskostenveroordeling uiteindelijk zal uitvallen. De Indicatietarieven in IE-zaken en de daarbij genoemde uitgangspunten zijn ontegenzeggelijk een grote stap vooruit en verschaffen de rechtzoekende meer zekerheid, maar desondanks blijven er vragen onbeantwoord.”

“Hoe moet er worden omgegaan met een zaak waarin meerdere IE-rechten worden ingeroepen en de rechter oordeelt dat niet op al deze rechten inbreuk wordt gemaakt?

Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan een octrooihouder die meer dan één octrooi inroept tegen een beweerde inbreukmaker. Stel nu dat in dit voorbeeld door de rechter wordt geoordeeld dat er door de gedaagde op één van de drie ingeroepen octrooien inbreuk wordt gemaakt. Komt dan slechts een derde van de gevorderde proceskosten voor toewijzing in aanmerking? En dient dan tweederde van de proceskosten van de inbreukmaker door de octrooihouder te worden vergoed? Van twee van de ingeroepen octrooien is immers geen inbreuk aangenomen.”

“Onze suggestie zou zijn dat het LOVC de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de circulaire “Indicatietarieven in IE-zaken” aanvult om aan deze onduidelijke en onvoorspelbare situatie een einde te maken.

Wij zijn van mening dat gezien de hoeveelheid tegenstrijdige uitspraken die na de inwerkingtreding van de Indicatietarieven op 1 augustus 2008 zijn gewezen, er inmiddels voldoende aanleiding om aanpassing van – beter gezegd – aanvulling op de uitgangspunten te overwegen. Indien het LOVC die mening onverhoopt niet zou delen, gaat onze hoop uit naar de Hoge Raad om wederom – al dan niet ten overvloede – met een ondubbelzinnige overweging verder richting te geven aan deze voor IE-juristen belangrijke materie.”

Klik hier om het gehele artikel te lezen