CBb schrapt de door ACM opgelegde boete aan LHV

woensdag, 11 juni 2014

Op 3 juni 2014 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak gedaan in de zaak tussen ACM en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV). ACM had LHV voor het verbreken van de verzegeling een boete opgelegd van EUR 51.000. Het CBb oordeelt echter dat er onvoldoende grond was voor de ACM om de boete op te leggen en schrapt deze.

In april 2010 heeft ACM een bedrijfsbezoek bij LHV afgelegd. Dit onderzoek werd gedaan in het kader van een onderzoek naar een mogelijke overtreding van artikel 6 Mw en artikel 101 VwEU. Het betreffende onderzoek kon door ACM niet in één dag worden afgerond, waardoor zij de secretariaatsruimte heeft verzegeld. Aangezien LHV is gehuisvest in een bedrijfsverzamelgebouw, werd de verzegeling verbroken door een beveiliger bij de reguliere brand- en sluitronde. ACM heeft LHV vervolgens een boete van EUR 51.000 opgelegd wegens het verbreken van de verzegeling.

De rechtbank Rotterdam oordeelde in juni 2012 dat de zegelverbreking door de beveiliger aan LHV is toe te rekenen. Het handelen van de beveiliger lag namelijk in de machtssfeer van LHV. LHV is dan ook tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van haar kon worden verwacht om de zegelverbreking te voorkomen. Zij oordeelde dan ook dat LHV terecht als overtreder is aangemerkt, maar verlaagt de opgelegde boete naar EUR 23.000.

Op basis van artikel 5:1 lid 2 en 3 Awb kan een overtreding door een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend op grond van functioneel daderschap. Voor de vraag of toerekening kan plaatsvinden, is het van belang te kijken of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. In het Drijfmest-arrest heeft de Hoge Raad hiervoor een aantal criteria opgesomd. In het kader van dit arrest oordeelt het CBb dat de beveiliger niet in dienst was bij LHV, noch in opdracht werkte voor LHV. Bovendien past de verbreking van de verzegeling niet in de normale bedrijfsvoering van LHV en is de gedraging ook niet dienstig geweest aan LHV.

Naar het oordeel van het CBb heeft LHV voldaan aan haar verplichting om ervoor zorg te dragen dat de personen werden geïnstrueerd waarvan kon worden verwacht dat zij mogelijk de betreffende secretariaatsruimte zouden betreden gedurende de periode waarin de verzegeling was aangebracht. De zegelverbreking kan derhalve niet op grond van functioneel daderschap aan LHV worden toegerekend. Het CBb komt dan ook tot de conclusie dat LHV niet als overtreder kan worden aangemerkt en schrapt de opgelegde boete.