Aflevering in het internationale wegvervoer

woensdag, 18 mei 2011

Het lijkt zo vanzelfsprekend, de vervoerder van goederen over de weg is aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen tijdens het transport. Maar wanneer begint en wanneer eindigt het transport in de zin van het CMR eigenlijk? Artikel 17 CMR tracht hier duidelijkheid over te geven door het gebruik van de termen inontvangstneming en aflevering. Deze begrippen lijken op het eerste gezicht voldoende duidelijk. De vervoerder neemt de spullen in ontvangst en bij aankomst op het gegeven adres geeft hij de zaken weer af. In de praktijk blijkt echter dat, vooral over het moment van aflevering, nog veel onduidelijkheid en onenigheid bestaat. De discussie over aflevering staat ook centraal in een recente uitspraak van de Rechtbank Roermond. Daar ging het om het volgende.

Op 17 december 2008 heeft X een opdracht aanvaard van Y tot het vervoer van elektronische producten van Venray (Nederland) naar Rosersberg (Zweden). De lading zou over de weg (met behulp van een ferry) naar Malmö vervoerd worden om het laatste gedeelte van de reis per spoor af te leggen.

X heeft het wegvervoer en de overtocht met de ferry naar Malmö uitbesteed aan Z. De opdracht aan Z was duidelijk: de lading dient op 17 december 2008 opgehaald te worden in Venray om vervoerd te worden naar Malmö alwaar de lading door S per spoor naar zijn eindbestemming vervoerd zou worden. Het personeel van S zou zorg dragen voor het plaatsen van de trailer op de trein. De opdracht van X aan Z zag dus alleen op het wegvervoer van Nederland naar Zweden.

Op 19 december 2008 komt de lading aan in Malmö. De chauffeur van Z stelt dat hij instructies heeft ontvangen van een werknemer van S over de plek waar de trailer geplaatst moet worden, maar X ontkent dit. Feit is dat de chauffeur van Z de trailer net buiten het terrein maar wel vóór het kantoor van S heeft geplaatst en dat een werknemer van S de CMR-vrachtbrief van de chauffeur van Z in ontvangst heeft genomen. Wanneer S op 21 december 2008 de trailer op de trein naar Arsta wil plaatsen blijkt de trailer gestolen.

X treft een schikking met de ladingbelanghebbende op basis van de CMR-limiet. Vervolgens spreek X Z aan voor de schade. Z verweert zich onder andere door te stellen dat de lading al was afgeleverd aan S en Z om die reden niet aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de diefstal. De vervoerder is slechts aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies gedurende het vervoer. Uit de rechtspraak en literatuur volgt dat aflevering van de lading een wilsovereenstemming van de betrokkenen verlangt en niet (perse) hetzelfde is als lossing of feitelijke afgifte van de goederen. Met andere woorden, Z en S moeten beiden begrijpen dat, en akkoord zijn met de aflevering van de lading. Vervolgens moet de geadresseerde feitelijk kunnen beschikken over de goederen. De vraag is nu of S door in ontvangst neming van de CMR-vrachtbrief en ondertekening voor ontvangst de feitelijke beschikking over de lading elektronica krijgt? De Rechtbank Roermond gaat om de hiervoor gestelde vraag te beantwoorden eerst in op de functie van de vrachtbrief binnen het CMR-verdrag. De rechtbank stelt voorop dat een vrachtbrief niet is vereist onder het regime van het CMR. Tevens is de rechtbank van mening dat het CMR-verdrag zelf, een onderscheid maakt tussen het overhandigen van de vrachtbrief en het afleveren van de goederen. Het is van belang de vervoerspraktijk te wijzen op deze opvatting van de rechtbank. De rol van de CMR-vrachtbrief is volgens de rechter dus beperkt. Men is snel geneigd te denken dat aan de vervoersopdracht is voldaan zodra de geadresseerde de CMR-vrachtbrief in ontvangst heeft genomen. Het vonnis van de Rechtbank Roermond leert ons echter dat het anders kan zijn. Gezien het door haar gestelde onderscheid tussen het overhandigen van de vrachtbrief enerzijds en het afleveren anderzijds, komt de rechtbank tot de conclusie dat er niet is afgeleverd. Daar voegt zij aan toe dat het daarbij niet van belang is of Z instructies van S heeft ontvangen met betrekking tot het plaatsen van de trailer. Dit ondanks dat de CMR-vrachtbrief niet uitdrukkelijk aangeeft waar de trailer geplaatst moet worden.

Doordat Z niet heeft afgeleverd is zij nog aan het vervoeren en heeft zij haar opdracht niet vervuld. Dit heeft tot gevolg dat Z aansprakelijk is voor de door X geleden schade.

Naar mijn mening is de opvatting van de rechtbank enigszins verwonderlijk. Uiteraard hoeft de CMR-vrachtbrief niet doorslaggevend te zijn als het gaat om het leveren van bewijs met betrekking tot de vraag of men al dan niet heeft afgeleverd. Maar naar mijn mening gaat de stelling van de rechtbank wel erg makkelijk voorbij aan de houding van de geadresseerde. De geadresseerde tekent immers voor ontvangt waarna het gebruikelijk is dat de lading geïnspecteerd wordt. Men mag naar mijn mening van de geadresseerde vervolgens verwachten dat zij vanaf het moment van het in ontvangst nemen van de vrachtbrief zorg draagt voor de lading en desnoods verlangt over deze lading te kunnen beschikken. Bovendien gaf de CMR-vrachtbrief geen aanwijzingen over de exacte plaats van aflevering bij de geadresseerde.

In de praktijk is het dus steeds van belang duidelijk te communiceren over de aflevering van de goederen. Dit verlangt zorgvuldigheid van het betrokken personeel. De vervoerder dient zich steeds goed bewust te zijn van eventuele risico’s (o.a. diefstal) die samenhangen met de locatie van aflevering en de aard van de goederen (zoals waardevolle elektronica). Niet te snel mag worden aangenomen dat men heeft afgeleverd. Daarnaast kan het bij twijfel nodig zijn instructies te vragen aan de opdrachtgever of geadresseerde over de exacte plaats van aflevering. Ook verdient het aanbeveling steeds daadwerkelijk op het terrein van de geadresseerde de goederen af te leveren. Dit om een discussie achteraf te voorkomen over de vraag of de geadresseerde wel de feitelijke beschikking over de goederen heeft gekregen.