Administreren is noodzaak!

vrijdag, 10 juni 2016

Rondom de invoering van de nieuwe gemeenschap van goederen speelt discussie rond de administratienoodzaak. Omdat voorhuwelijks vermogen in de toekomst niet meer in de gemeenschap valt, is het noodzakelijk om na het huwelijk de privévermogens, het gezamenlijke vermogen en de geldstromen te administreren om alles uit elkaar te kunnen (blijven) houden. Echtelieden doen dit echter niet in de praktijk, zo luidt de kritiek op het wetsvoorstel.

Maar ook tijdens de huidige gemeenschap van goederen is sprake van een administratienoodzaak. Ook nu is er immers vaak sprake van privévermogen naast het gemeenschappelijk vermogen. Aan schenkingen en nalatenschappen is immers meestal een uitsluitingsclausule verbonden waardoor de uit giften en nalatenschappen verkregen gelden niet in gemeenschap van goederen vallen.

Het zal duidelijk zijn, dat ook in het geval van huwelijksvoorwaarden het voeren van een administratie van groot belang is. In dat geval is er immers per definitie sprake van privévermogens (naast wellicht gemeenschappelijk vermogen) die door elkaar kunnen gaan lopen.

Uit een recent gepubliceerde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (1 maart 2016, ECLI: NL: GHDHA: 2016:912) blijkt, dat ook bij samenleving de noodzaak tot het voeren van een administratie bestaat. Het ging hier om twee partners, die samenleefden en een samenlevingsovereenkomst hadden afgesloten (waarin geen gemeenschap in het leven werd geroepen). Het komt vervolgens tot een scheiding. De vrouw stelt dat bepaalde goederen haar in eigendom toebehoren omdat deze uit haar vermogen waren gefinancierd.

Het hof stelt vast, dat de man en de vrouw op enig moment hun privé-bankrekeningen hadden opgeheven en hun inkomsten en uitgaven via een gezamenlijke bankrekening lieten verlopen. Zij voerden geen administratie. Volgens het hof behoeft het geen betoog dat niet meer is na te gaan met wiens geld/vermogen een goed is aangeschaft, wanneer dat goed is betaald vanaf de gezamenlijke bankrekening. Bovendien valt vaak niet meer vast te stellen aan welke partij een goed juridisch is geleverd.

Daarnaast stelt het hof vast dat de samenlevingsovereenkomst de volgende bepaling bevat: “indien tussen partijen een geschil bestaat omtrent de eigendom van of de gerechtigdheid tot een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is (……) en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, worden zij geacht ieder voor de helft als eigenaar respectievelijk rechthebbende tot dat goed gerechtigd te zijn”.

Op grond van dit alles komt het hof tot de conclusie dat partijen in economische zin hun eigendommen hebben gezien als gemeenschappelijk en dat zij zich in ieder geval als zodanig jegens elkaar hebben gedragen. Als de vrouw, in afwijking daarvan, stelt dat bepaalde goederen toch aan haar in eigendom toebehoren en dat deze uit haar vermogen zijn gefinancierd, is het aan haar om dit te bewijzen. De administratieve chaos, waar de vrouw zelf (mede) debet aan is, komt voor haar rekening en risico, aldus het hof.

De consequentie hiervan is volgens het hof dat er in economische zin van uit mag worden gegaan dat beide partijen gelijk gerechtigd zijn tot al hun goederen; dat er goederenrechtelijk geen gemeenschap is, doet hier niet aan af.

De boodschap is duidelijk: wil men zijn of haar goederen (privévermogen of wat daarmee is gekocht)  volledig behouden, dan is het voeren van een goede administratie het devies. Zowel in de huidige en de toekomstige huwelijksgoederengemeenschap, in het geval van huwelijksvoorwaarden als in het geval van samenleving.