Uitkering levensverzekering: voor de bank, de erfgenaam of de begunstigde?

dinsdag, 1 maart 2016

Bij de afwikkeling van een nalatenschap komt het vaak voor dat er sprake is van een levensverzekering gekoppeld aan de hypothecaire geldlening. Voor de erfgenaam en de langstlevende partner kan het een groot verschil maken hoe die koppeling is vormgegeven, met name wanneer de langstlevende niet tot erfgenaam is benoemd. 

In sommige gevallen is de bank, die de hypothecaire geldlening heeft verstrekt, in de polis onherroepelijk aangewezen als eerste begunstigde. Komt de verzekerde te overlijden, dan komt de uitkering op grond van deze begunstiging aan de bank toe. Dit betekent dat de erfgenamen hiervan het voordeel ondervinden doordat de uitkering in mindering komt op de hypothecaire schuld. 

In andere gevallen is de uitkering op grond van de levensverzekering verpand aan de bank. In die gevallen is weliswaar de eerste begunstigde degene die recht heeft op de uitkering, maar dient de uitkering door de verzekeraar aan de bank te worden uitbetaald omdat deze op grond van het pandrecht beperkt gerechtigde is. 

Is in het laatste geval de begunstigde tevens enig erfgenaam, dan komt de uitkering uiteindelijk toch kan deze begunstigde/erfgenaam ten goede (aannemende dat de hypothecaire schuld ook tot de nalatenschap behoort). De uitkering strekt immers in mindering op de hypothecaire schuld. Is de begunstigde echter niet tevens erfgenaam, dan komt de uitkering dus ten goede van de erfgenaam, terwijl de polis de begunstigde als rechthebbende op de uitkering aanwijst. Hetzelfde probleem doet zich voor, wanneer de begunstigde wel erfgenaam is, maar niet als enige. In dat geval profiteren immers alle erfgenamen van de uitkering, terwijl alleen de erfgenaam/begunstigde daarop recht heeft. 

De rechtbank Overijssel heeft op 6 januari 2016 (C/08/169177/HA ZA 15-162) in een soortgelijk geval uitspraak gedaan. In dat geval had de man een levensverzekering afgesloten en daarbij de vrouw, met wie hij een lat relatie had, als begunstigde aangewezen. De vrouw was geen erfgenaam. De verzekeringsuitkering was verpand aan de bank voor de hypotheekschuld. De uitkering kwam aldus ten goede aan de erfgenaam, terwijl de vrouw begunstigde was. Rechtbank heeft in de uitspraak bepaald, dat de vrouw hierdoor als begunstigde van de polis een vordering heeft op de erfgenaam wegens ongerechtvaardigde verrijking. 

Uiteindelijk is het dus de begunstigde aan wie de verzekeringsuitkering ten goede moet komen en niet de erfgenaam als dat een ander is. Zou de erflater het zo bedoeld hebben?