Inleiding
Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 11 maart jl. geeft een heldere illustratie van het belang van een deugdelijke ingebrekestelling.
Waar gaat de zaak over?
A B.V. vordert nakoming van de samenwerkingsovereenkomst die zij met B heeft gesloten. B meent dat hij de samenwerkingsovereenkomst niet hoeft na te komen omdat hij deze heeft ontbonden.
De ontbinding door B is niet rechtsgeldig
A B.V. vordert nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. B stelt dat hij die overeenkomst op 30 januari 2023 heeft ontbonden, zodat de overeenkomst niet meer bestaat en hij deze meer niet hoeft na te komen. Volgens A B.V. kan de ontbinding geen standhouden omdat er geen tekortkoming was, zij niet in gebreke is gesteld en B zelf in verzuim verkeerde.
De rechtbank oordeelt dat de ontbindingsverklaring van B geen effect sorteert, omdat A B.V. niet in gebreke is gesteld, terwijl dat wel was vereist.
Een partij mag een overeenkomst ontbinden wanneer de andere partij die overeenkomst niet (goed) nakomt en in verzuim is. Omdat B zich op de ontbinding en de gevolgen daarvan beroept, moet hij feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan.
Het verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Artikel 6:83 BW bepaalt wanneer verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het wat betreft de in artikel 6:82 BW en 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim niet gaat om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen.
B heeft volgens de rechtbank nagelaten om A B.V. in gebreke te stellen. Voor zover de e-mail van 18 januari 2023 als ingebrekestelling is bedoeld, voldoet deze niet aan de eisen daarvoor. B heeft in deze brief namelijk niet concreet gemaakt welke verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst A B.V. niet is nagekomen.
Als B ontevreden was over de samenwerking met A B.V. en haar in gebreke wilde stellen, had van hem verwacht mogen worden dat hij de tekortkomingen concreet had gemaakt. De afspraken in samenwerkingsovereenkomst over het gezamenlijk verbouwen van de woning zijn algemeen geformuleerd en daaruit volgt naar het oordeel van der rechtbank niet eenduidig welke (financiële) verplichtingen op A B.V. rustte tijdens de verbouwingsfase. Het had daarom op de weg van B gelegen om aan A B.V. duidelijk te maken (i) wat hij op grond van de samenwerkingsovereenkomst van A B.V. verwachtte en (ii) waaruit blijkt dat zij daarin tekort gekomen is. Dat heeft B nagelaten.
De ingebrekestelling voldoet volgens de rechtbank ook niet aan een ander vereiste, nu B geen redelijke termijn heeft gesteld aan A B.V. waarbinnen zij alsnog kon nakomen. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is (met alle mogelijk gevolgen van dien). Kort gezegd: het moet voor de schuldenaar duidelijk zijn wat hij moet doen én dat hij of zij een laatste kans heeft om te presteren. Een dergelijke ‘laatste kans’ om te presteren blijkt niet uit de e-mail van B.
B voert nog aan dat op grond van artikel 6:83 onder c BW geen ingebrekestelling nodig was. Uit de uitleg die A B.V. in haar dagvaarding aan de samenwerkingsovereenkomst geeft – dat A B.V. geen tussentijdse inbrengplicht heeft tijdens de verbouwingsfase – blijkt volgens B ondubbelzinnig dat zij niet van plan was de overeenkomst na te komen.
De rechtbank volgt B niet op dit punt. Op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c BW treedt verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis tekort zal schieten. Het gaat er dus om of B uit een mededeling van A B.V. redelijkerwijs mocht afleiden dat zij de samenwerkingsovereenkomst niet zou nakomen, met het verregaande gevolg dat zij direct in verzuim was. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. B heeft onvoldoende concreet gemaakt uit welke specifieke mededeling hij – voorafgaand aan de ontbinding – mocht afleiden dat A B.V. de samenwerkingsovereenkomst niet zou nakomen, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. De uitleg die A B.V. in haar dagvaarding aan de samenwerkingsovereenkomst geeft, is daarvoor onvoldoende. Verder blijkt ook uit het dossier niet van de hiervoor bedoelde mededeling van A B.V. . Van de situatie als bedoeld in artikel 6:83 onder c BW is dus geen sprake, zodat voor het intreden van verzuim van A B.V. een ingebrekestelling was vereist.
Conclusie
A B.V. was niet in verzuim was ten tijde van de ontbindingsverklaring van B Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor een geldige ontbinding. Dat betekent dat de samenwerkingsovereenkomst nog van kracht is.
Praktijktip
Uit deze uitspraak blijkt dat het zorgvuldig opstellen van contracten van belang is voor beantwoording van de vraag wanneer er sprake is van wanprestatie, verzuim en/of een ingebrekestelling vereist is en, zo ja, wat deze moet bevatten (e.g. welke termijn).
Afgezien daarvan is het van belang om -tijdig- advies in te winnen over de vraag wat te doen bij een tekortkoming van de wederpartij: Is het noodzakelijk de wederpartij (opnieuw) in verzuim te stellen door een ingebrekestelling? Wat moet daar dan precies instaan?
Uw verdere rechtspositie als crediteur (e.g. aanvullende en/of vervangende schadevergoeding en/of ontbinding) wordt daardoor bepaald.
Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog of heeft u andere ondernemingsrechtelijke vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of met een van de andere leden van de sectie EU-Mededinging of Procedures & Geschillenbeslechting.