Skip to Content

Gevolgen onduidelijke B2B-overeenkomst

Blogs Mededinging & Regulering Procedures & Geschillenbeslechting Marc Janssen

Inleiding

Een duidelijke en zorgvuldige formulering van een B2B-contract is belangrijk. Het komt regelmatig voor dat discussie ontstaat over de uitleg daarvan omdat het contract tegenstrijdige of onduidelijke bepalingen bevat. Ter illustratie wordt hierna een recent vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 4 maart 2026 besproken.

Waar gaat de zaak over?

Fys’Optima kocht ten behoeve van haar leden software in bij SOM en SOM bood in ruil daarvoor kortingen aan op haar producten en diensten aan leden van Fys’Optima. De vraag is of SOM die kortingen ook moet blijven verlenen aan bestaande Fys’Optima-leden na het einde van de samenwerking tussen partijen. 

Partijen zijn op 25 december 2014 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan inzake de inkoop door Fys'Optima van door SOM ontwikkelde en te ontwikkelen software voor fysiotherapiepraktijken, ten behoeve van de leden van Fys'Optima (de samenwerkingsovereenkomst).

Op 27 november 2019 (met ingang van 2020) en laatstelijk op 23 juli 2021 zijn partijen nieuwe versies van de samenwerkingsovereenkomst aangegaan. In de versie van 23 juli 2021 staat, voor zover relevant:

“3. Kortingsafspraken

3.1. De nieuwe samenwerkingsafspraken omvatten een FO-korting, welke FO kan aanbieden aan Leden, en wel als volgt:

3.1.1. FO-leden vallende in de Bestaande Overeenkomst zijn, en blijven zolang ze Lid zijn, gerechtigd tot een korting van 25 procent op de Marktprijs.

(…)

3.1.3. SOM zal op geen enkele wijze het Lid dat door beëindiging van de relatie met FO haar korting verliest deze korting aan het Lid, direct dan wel indirect, compenseren.

3.2. SOM garandeert dat de in artikel 3.1.1 en 3.1.2 beschreven percentages gedurende de Nieuwe Overeenkomst in stand zullen blijven, en derhalve niet door toedoen van SOM – bijvoorbeeld door aanpassingen aan de Marktprijs – lager (kunnen) worden, als gevolg waarvan de (FO-lidmaatschaps-)voordelen voor Leden zou(den) kunnen verminderen.

(…)

8. Duur

8.1. Deze Nieuwe Overeenkomst is aangegaan voor een periode van drie jaren (de ‘Basisperiode’), ingaande op de Aanvangsdatum, waarna de Nieuwe Overeenkomst doorloopt voor aansluitende periodes van telkens 1 jaar.

8.2. Deze Nieuwe Overeenkomst kan schriftelijk worden opgezegd tegen het einde van een periode, voor de eerste maal aan het einde van de Basisperiode en vervolgens aan het einde ieder verlengingsperiode, met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden.

(…)

8.4. Artikelen uit deze Nieuwe Overeenkomst die er (tevens) op gericht zijn te werken na beëindiging daarvan, waaronder de artikelen 8, 9, 10 en 11, behouden ook na beëindiging van deze Nieuwe Overeenkomst hun gelding.

(…)

10.6. De in deze Nieuwe Overeenkomst opgenomen bepalingen en eventuele bijlagen vormen de gehele rechtsverhouding tussen Partijen.”

Tegen deze achtergrond is de vraag of SOM ook na het (definitieve) einde van de samenwerkingsovereenkomst gehouden is de overeengekomen kortingspercentages op haar diensten te blijven verlenen aan Fys'Optima-leden. SOM voert aan dat de tekst van de samenwerkingsovereenkomst zodanig duidelijk is op dit punt dat, mede omdat het een commerciële overeenkomst betreft, uitsluitend een taalkundige uitleg van de relevante bepalingen volstaat. In dat kader is relevant dat artikel 3.2 verwijst naar de artikelen 3.1.1 en 3.1.2 zodat deze uitsluitend in samenhang kunnen worden gelezen. De in artikel 3.1.1 genoemde korting is daarom alleen gegarandeerd gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst, terwijl artikel 8.4 bevestigt dat artikel 3 geen gelding behoudt na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, aldus SOM.

Contract onduidelijk

De rechtbank overweegt dat de bovenstaande bepalingen in het contract zodanig tegenstrijdig zijn dat niet uitsluitend kan worden uitgegaan van de tekst daarvan en dat de bepalingen dus, zoals Fys'Optima stelt, moeten worden uitgelegd. Op zichzelf staand kan artikel 3.1.1 namelijk zo worden begrepen dat Fys'Optima-leden onder de enkele voorwaarde van het hebben van een lidmaatschap gerechtigd zijn en blijven tot een korting, zoals Fys'Optima betoogt. Dit terwijl de artikelen 3.1 en 3.2 het slechts hebben over afspraken gedurende de looptijd van de overeenkomst, zoals SOM betoogt. Naar oordeel van de rechtbank is er vanwege deze tegenstrijdigheid geen meer voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bepalingen, als de overeenkomst op zichzelf wordt beschouwd. 

Uitleg: hoe dan?

Het is daarom ook relevant wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij wat dat betreft redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, mede gelet op de maatschappelijke positie van partijen en de bij hen aanwezige rechtskennis. De omstandigheden van het geval kunnen er wel aanleiding toe geven dat aan objectieve aanknopingspunten, zoals de in een overeenkomst gekozen bewoordingen, in beginsel doorslaggevende betekenis wordt toegekend.

SOM is gehouden de kortingen te blijven verstrekken aan bestaande Fys'Optima-leden
De rechtbank oordeelt vervolgens dat artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd, dat bestaande Fys'Optima-leden zolang zij lid zijn van Fys’Optima hun recht op korting op de licentiekosten behouden, ook als de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen definitief is beëindigd.  

De rechtbank houdt bij de uitleg van de bepalingen rekening met de volgende omstandigheden van het geval:

Partijen zijn een ‘entire agreement-clause’ (art. 10.6) en een ‘survival-clause’ (art. 8.4) overeengekomen, waarin artikel 3 niet genoemd is. Het enkele feit dat partijen in de samenwerkingsovereenkomst een ‘entire agreement-clause’ zijn overeengekomen staat er niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Het kan er wel aan bijdragen dat meer gewicht wordt toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van artikel 3, maar die betekenis is in dit geval niet zonder meer af te leiden zonder ook de overige omstandigheden van het geval daarbij te betrekken. Ook de ‘survival-clause’ is volgens de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis. Weliswaar staat artikel 3 niet als zodanig in artikel 8.4 genoemd, maar het artikel heeft meer in het algemeen betrekking op artikelen die naar hun aard bedoeld gelding te behouden na het einde van de overeenkomst en spreekt uitdrukkelijk van waaronder en is dus niet beperkt tot de wel genoemde artikelen.

Ook is volgens de rechtbank relevant dat partijen al sinds 2014 zaken met elkaar doen. Het staat vast dat SOM al sinds het begin van de samenwerking in 2014 korting op licentiekosten aanbiedt aan Fys'Optima-leden voor onbepaalde tijd. De achtergrond van die kortingen voor onbepaalde tijd was dat SOM een positie in de markt wilde verwerven. Dat de kortingen ook bedoeld waren om voor onbepaalde tijd te gelden blijkt uit de samenwerkingsovereenkomst versie 2014 en correspondentie vanuit partijen richting Fys’Optima-leden. Zo heeft Fys’Optima in het servicebericht van 23 september 2019, dus na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst uit 2014 en voordat partijen een nieuwe overeenkomst hadden gesloten in 2019, haar leden met SOM in de cc per e-mail bericht dat, ondanks dat er op dat moment geen geldende samenwerkingsovereenkomst was tussen partijen, de korting op de licentiekosten voor onbepaalde tijd behouden blijft zolang de praktijk lid blijft van Fys'Optima. Er is niet gebleken dat SOM tegen deze berichtgeving heeft opgetreden, dan wel later een voorbehoud heeft gemaakt richting Fys’Optima-leden, terwijl dit wel in de rede zou hebben gelegen als dit niet juist was. 

Daarnaast is volgens de rechtbank voor de uitleg van doorslaggevend belang dat SOM in haar e-mail van 16 juli 2021, verstuurd kort vóór de totstandkoming van de meest recente samenwerkingsovereenkomst, zonder voorbehoud toezegt dat bestaande klanten hun kortingspercentages behouden als de samenwerkingsovereenkomst om wat voor redenen wordt verbroken.

SOM heeft nog als gezichtspunt opgeworpen dat de door Fys’Optima verdedigde uitleg neerkomt op een eeuwigdurende verplichting, wat voor een commerciële onderneming ongebruikelijk is, dat dit ook ongebruikelijk is in de branche, niet in overeenstemming is met het doel en de aard van de overeenkomst en zou leiden tot een slechter resultaat voor SOM dan partijen hadden beoogd. Ook dit gezichtspunt leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Er is geen sprake van een eeuwigdurende verplichting, omdat de kortingen voor de desbetreffende Fys’Optima-leden afhankelijk zijn van het voortduren van hun Fys’Optima-lidmaatschap. Daar staat ook tegenover dat die leden zich voor diezelfde onbepaalde tijd committeren tot afname van het product dat SOM aanbiedt, hetgeen een zekere stroom van inkomsten voor SOM garandeert.

Advies voor de praktijk

De hiervoor behandelde recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland illustreert dat het zorgvuldig formuleren van een B2B-contract geboden is. Er is meer vereist dan “knippen en plakken” uit modellen (via AI). Maatwerk is vereist.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of andere leden van de sectie EU-Mededinging of Litigation.

Marc Janssen