Skip to Content

Opzegging B2B-duurovereenkomst

Blogs Mededinging & Regulering Procedures & Geschillenbeslechting Marc Janssen

Inleiding

Een in deze blog te bespreken recente uitspraak van het Hof Amsterdam illustreert het belang van een goede opzeggingsregeling in een B2B-overeenkomst.

Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over uitleg van een opzeggingsregeling in een duurovereenkomst tussen een concessiehouder en een taxichauffeur. Het hof oordeelt dat de regeling aldus moet worden uitgelegd dat de concessiehouder de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en niet schadeplichtig is jegens de taxichauffeur.

SchipholTaxi is sinds 1 juni 2014 op basis van een concessie van Schiphol Nederland B.V. gerechtigd om taxivervoer te verrichten vanaf het terrein van luchthaven Schiphol (de concessie). De eerste concessietermijn liep tot 31 mei 2018. Daarna is de concessie achtereenvolgens verlengd tot respectievelijk 31 mei 2020, 31 mei 2022 en laatstelijk november 2024. SchipholTaxi heeft het taxivervoer uitbesteed aan zelfstandige taxichauffeurs op basis van aansluitovereenkomsten.

CS is een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) met een vergunning voor taxivervoer binnen de gemeente Amsterdam.

X is taxichauffeur. X is op 18 september 2018 een ‘ervoerderovereenkomst aangegaan met TCS. Op grond van deze vervoerderovereenkomst was X gerechtigd om taxivervoer te verrichten binnen de gemeente Amsterdam.

Op 2 oktober 2018 heeft X met SchipholTaxi een aansluitovereenkomst gesloten op de voet waarvan hij gerechtigd was om ook taxidiensten vanaf Schiphol te verrichten.

In artikel 10 van de aansluitovereenkomst is bepaald:

“10.1 . Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

10.2. Deze Overeenkomst eindigt:

a. (…)
b. door opzegging door SchipholTaxi of de Chauffeur met in achtneming van een opzegtermijn van 1 maand.
c. (…)

d. bij het einde van de Vervoerder Overeenkomst van de Chauffeur met Taxi Centrale

Schiphol;
e. bij het einde van de Concessie;
(…).”

Bij e-mail van 26 mei 2022 heeft SchipholTaxi aan X bericht:

“(…)
In vervolg op uw aanmelding en het gesprek over de nieuwe concessieperiode moeten wij u helaas mededelen dat wij onvoldoende vertrouwen hebben in een goede samenwerking om u een overeenkomst aan te bieden. Wij danken u voor uw getoonde interesse.
(…)”

X heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de opzegging door SchipholTaxi van de aansluitovereenkomst niet rechtsgeldig is, althans dat SchipholTaxi daarmee jegens X tekort is geschoten en daarom schadeplichtig is, en dat SchipholTaxi veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding. Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, temeer nu X, alhoewel hij voor het aangaan van de aansluitovereenkomst een aanzienlijke instapvergoeding van € 10.000 (exclusief btw) heeft moeten betalen, slechts gedurende een beperkte periode de vruchten van de aansluitovereenkomst heeft kunnen plukken, omdat al begin 2020 de markt in elkaar is gezakt door de coronapandemie.

Juridisch kader

Een duurovereenkomst die voorziet in een regeling van de opzegging, is in beginsel op grond van die regeling opzegbaar. Indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval evenwel meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Ook kunnen zij meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Het oordeel van het hof in deze zaak

Daarmee gaat het hier om de vraag of de overeenkomst een leemte laat die aldus moet worden aangevuld, dat voor opzegging door SchipholTaxi een voldoende zwaarwegende grond moet bestaan. Of er sprake was van zodanige leemte in de overeenkomst is een kwestie van uitleg, waarbij het erom gaat wat partijen meenden en mochten menen dat zij hebben afgesproken. Daarbij komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De aansluitovereenkomst is aangegaan tijdens een lopende concessie tot 31 mei 2020, waarvan destijds niet was te voorzien dat die concessie zou worden verlengd. Van aanvang af heeft X er  rekening mee kunnen en moeten houden dat de overeenkomst eindig was, in eerste instantie zelfs al per 31 mei 2020. Artikel 10.2 onder e. van de aansluitovereenkomst bepaalt immers dat de overeenkomst eindigt bij het einde van de concessie. Met die wetenschap heeft X de instapvergoeding van € 10.000 ex btw betaald, zonder terugverdiengarantie. 

X heeft desgevraagd bij het hof verklaard dat hij er bij het sluiten van de overeenkomst van uitging dat de overeenkomst circa vier jaar zou duren en dat hij zijn investering er in die periode uit zou kunnen halen. Daarmee staat voldoende vast dat de verwachting aan de zijde van X bij het sluiten van de overeenkomst beperkt was tot een periode van circa vier jaar. 

Anders dan door X betoogd, heeft SchipholTaxi volgens het hof door een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan, dus geen verwachtingen bij X gewekt dat de aansluitovereenkomst voor langere tijd (dan de door X zelf genoemde vier jaar) zou doorlopen. In het licht daarvan valt niet in te zien dat X bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten dat de overeenkomst ook na 31 mei 2022 zou worden voortgezet.

Bij de uitleg van de nagenoeg ongeclausuleerde (want slechts met een daarbij in acht te nemen opzegtermijn) opzegbepaling in de aansluitovereenkomst voor onbepaalde tijd, diende X volgens het hof als ondernemer ook rekening te houden met de mogelijkheid dat (gewijzigde) bedrijfseconomische overwegingen in de toekomst redenen voor opzegging zouden kunnen opleveren. Dit heeft zich uiteindelijk ook zo voltrokken. SchipholTaxi heeft toegelicht dat de opzegging volgde op de Corona-pandemie, waarna (ook naar eigen zeggen van X) de taximarkt is ingestort. 

Niet is in geschil dat als gevolg daarvan niet alleen X, maar ook SchipholTaxi inkomsten is misgelopen; volgens SchipholTaxi heeft zij zelfs grotendeels het risico van de pandemie voor haar rekening genomen. Tegen die achtergrond is volgens het hof denkbaar en verdedigbaar dat SchipholTaxi omwille van de flexibiliteit voor de toekomst nieuwe overeenkomsten heeft willen sluiten. Daarmee is dat een opzeggingsgrond die zijn oorzaak vindt in nieuwe, van buiten komende omstandigheden, met de mogelijkheid waarvan X bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs rekening heeft moeten houden. 

Daarbij komt dat een opzeggingsregeling als waar het hier om gaat in de taxibranche niet ongebruikelijk is en dat daarmee niet alleen de belangen van de concessiehouders zijn gediend, maar in voorkomend geval ook die van de chauffeurs. 

Al met al kan de opzegging de toets doorstaan en levert die dus geen schending op van de overeenkomst noch onrechtmatig handelen.

Advies van de praktijk

De hiervoor behandelde recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam illustreert dat het belangrijk is om in een B2B-duurovereenkomst (raamovereenkomst) een regeling op te nemen over opzegging. Die dient onder meer te regelen of en wanneer kan worden opgezegd (na verlenging) met inachtneming van welke termijn en wat de gevolgen zijn van de opzegging (o.a. (schade)vergoeding of juist niet, al dan niet doorleveren tijdens de opzegtermijn, het al dan niet kunnen plaatsen door partijen van (extra) opdrachten tijdens de opzeggingstermijn e.d.).

Maar let op: Een opzegregeling die bij het – aangaan – van de duurovereenkomst op orde is, kan door (gewijzigde) omstandigheden tijdens de looptijd van de duurovereenkomst in strijd komen met de eisen van redelijkheid en billijkheid. 

Wanneer u voornemens bent om een duurovereenkomst door opzegging te beëindigen, is het dus verstandig om vooraf advies in te winnen over de vraag of er mogelijk feiten en omstandigheden zijn die maken dat moet worden afgeweken van de overeengekomen opzegregeling, bijvoorbeeld door een langere opzegtermijn te hanteren en/of (schade)vergoeding aan te bieden.



Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of andere leden van de sectie EU-Mededinging of Procedures & Geschillenbeslechting.

Marc Janssen