Skip to Content

Opstellen B2B-contract maatwerk!

Blogs Mededinging & Regulering Corporate/M&A Marc Janssen

Inleiding

Een duidelijke en zorgvuldige formulering van B2B-contracten is belangrijk. Het komt regelmatig voor dat discussie ontstaat over de uitleg van bepalingen in een B2B-contract tussen twee Nederlandse ondernemingen, ook al is het contract opgesteld in de Nederlandse taal en Nederlands recht daarop van toepassing.

Een recente uitspraak van de kortgedingrechter van de Rechtbank Noord-Nederland biedt een goede illustratie daarvan.

De zaak

Vooruitlopend op een overname van BFNL hebben partijen op 13 november 2019 een addendum toegevoegd aan hun samenwerkingsovereenkomst. In dit addendum staat, voor zover van belang:

“OVERWEGINGEN:

(…)
B. NFP Groep drijft een onderneming die zich bezig houdt met het aanbieden aan werkgevers van additionele secundaire arbeidsvoorwaarden waarop belastingvoordeel te behalen is. De diensten van NFP Groep bestaan op dit moment uit het aanbieden van fietsplannen, leasefietsen, laptops, iPads, mobiele telefonie, assortiment van Coolblue, bol.com en weekendjeweg (de “FiscFree Diensten”).

(…)

Artikel 6 Exclusiviteit

6.1 De samenwerking tussen NFP Groep en BFNL zal voor wat betreft het aanbieden van bedrijfsfitness diensten via het FiscFree platform op exclusieve basis plaatsvinden.

(…)

6.3 BFNL verbindt zich jegens NFP Groep om tijdens de duur van deze Overeenkomst en voor een periode van twee (2) jaar nadat de Overeenkomst is geëindigd op initiatief van BFNL, zich te weerhouden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van NFP Groep in Nederland, rechtstreeks of via een derde, haar diensten aan te bieden aan ondernemingen die op een concurrerende of vergelijkbare wijze als NFP Groep via een portal diensten aanbiedt die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de FiscFree Diensten. Ter voorkoming van misverstanden, het voorgaande beperkt BFNL niet in het algemeen om haar diensten aan te bieden aan ondernemingen die zich bezighouden met het aanbieden van secundaire arbeidsvoorwaarden maar heeft uitsluitend betrekking op ondernemingen met een focus op de FiscFree Diensten.”

Tussen partijen is in geschil of het BFNL op grond van de exclusiviteitsafspraken in de samenwerkingsovereenkomst en het addendum wel of niet is toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een eigen multi-benefitplatform. Niet in geschil is dat BFNL  het bedrijf Alleo mocht overnemen en dat BFNL een eigen multi-benefitplatform mag exploiteren. Het gaat alleen over de vraag of zij haar bedrijfsfitnessdiensten op zo’n eigen multi-benefitplatform mag aanbieden.

Volgens NFP is dat niet het geval. Dat volgt volgens haar uit de bepalingen van het addendum. Daarin staat dat de samenwerking tussen partijen voor wat betreft het aanbieden van bedrijfsfitnessdiensten via het FiscFree platform op exclusieve basis zal plaatsvinden, en dat BFNL zich, zonder schriftelijke toestemming van NFP, er van zal weerhouden om rechtstreeks of via een derde haar diensten aan te bieden aan een ander multi-benefitplatform dan FiscFree. Het is BFNL dus niet toegestaan haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een ander multi-benefitplatform, of dat nou een platform van een derde is of een door haar zelf geëxploiteerd platform (rechtstreeks). Zou dit anders zijn, dan zou dat betekenen dat BFNL de exclusiviteitsafspraken gemakkelijk kan omzeilen door haar diensten niet via het multi-benefitplatform van een derde aan te bieden, maar die derde simpelweg over te nemen, zoals zij met Alleo heeft gedaan. BFNL zou haar diensten dan alsnog op datzelfde multi-benefitplatform kunnen aanbieden, omdat het dan een eigen platform zou zijn geworden. 

Uitleg

De kortgedingrechter overweegt dat moet worden uitgelegd wat partijen zijn overeengekomen. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst is niet alleen de tekst van belang, maar komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang.

Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de huidige situatie

De kortgedingrechter stelt voorop dat in de tekst van de samenwerkingsovereenkomst en het addendum niet expliciet en ondubbelzinnig is opgenomen of het BFNL al dan niet is toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een eigen multi-benefitplatform. Dit zal daarom uit de tekst en de redelijke verwachtingen van partijen moeten worden afgeleid. Daarbij is van belang dat in artikel 6.3 van het addendum is opgenomen dat het BFNL niet is toegestaan om rechtstreeks of via een derde haar diensten aan te bieden aan ondernemingen die op concurrerende of vergelijkbare wijze als NFP diensten aanbieden. 

Naar het oordeel van de kortgedingrechter ziet dit verbod op het aanbieden van bedrijfsfitnessdiensten aan een multi-benefitplatform van een andere onderneming en niet op het opnemen van die bedrijfsfitnessdiensten in een eigen multi-benefitplatform. In dat geval is er immers geen sprake van het aanbieden van diensten aan een onderneming, maar van het integreren van de eigen diensten in het eigen platform. Ook uit de toevoeging dat BFNL rechtstreeks noch via een derde haar diensten mag aanbieden aan dergelijke ondernemingen, kan niet worden afgeleid dat BFNL haar bedrijfsfitnessdiensten niet op een eigen multi-benefitplatform mag aanbieden. Die toevoeging ziet namelijk slechts op de wijze van het aanbieden van diensten aan een andere onderneming (rechtstreeks of via een derde). Uit de tekst volgt dus niet dat BFNL haar bedrijfsfitnessdiensten niet mag aanbieden op een eigen multi-benefitplatform.

De vraag is vervolgens wat de redelijke verwachtingen over en weer van partijen zijn. De kortgedingrechter overweegt in dat kader dat de bestuurder van NFP in zijn schriftelijke verklaring heeft geschreven dat de intentie van partijen, zowel bij het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst als het addendum, was dat BFNL niet wilde dat NFP met BFNL-achtige partijen zou gaan samenwerken en dat NFP niet wilde dat BFNL met NFP-achtige partijen zou gaan samenwerken. Het gaat daarbij dus om samenwerking met andere partijen en niet om het starten van een eigen multi-benefitplatform door BFNL. 

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben partijen ten tijde van het maken van de exclusiviteitsafspraken niet nagedacht over de mogelijkheid dat BFNL een eigen multi-benefitplatform zou willen starten.

BFNL mag haar diensten aanbieden op een eigen multi-benefitplatform

De voorzieningenrechter is van oordeel dat BFNL redelijkerwijs mocht verwachten dat dit was toegestaan. Aan NFP kan worden toegegeven dat dit het voor BFNL mogelijk maakt om de exclusiviteitsafspraken te omzeilen. In plaats van haar diensten aan te bieden aan een derde partij met een multi-benefitplatform, kan BFNL die derde partij overnemen zodat het een multi-benefitplatform van haarzelf wordt en zij haar bedrijfsfitnessdiensten alsnog op dat platform mag aanbieden. Dat neemt echter niet weg dat de tekst van de exclusiviteitsafspraken en de bedoeling van partijen van destijds geen verbod inhouden zoals door NFP is gevorderd. 

Als NFP had willen voorkomen dat BFNL in de toekomst een rechtstreekse concurrent van haar zou worden, dan had het op haar weg gelegen om daar vooraf heldere en eenduidige afspraken over te maken. Dat zij dat niet heeft gedaan, dient voor haar risico te komen.

Advies voor de praktijk

Gelet op de hiervoor behandelde recente uitspraak is het zorgvuldig formuleren van contracten in B2B-relaties geboden. Er is meer vereist dan “knippen en plakken” uit modellen. Het contract moet op het concrete geval worden toegespitst. Maatwerk is dus vereist.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of andere leden van de sectie EU-Mededinging of M&A

Marc Janssen