Skip to Content

Bestuurder persoonlijk aansprakelijk

Blogs Insolventie & Herstructurering Procedures & Geschillenbeslechting Marc Janssen

Inleiding

Een recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag illustreert dat de bestuurder van een vennootschap onder omstandigheden – persoonlijk – aansprakelijk is voor de schulden van de B.V.

De feiten

Begin februari 2021 is tussen A B.V. en B een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van zijn woning.

B en A B.V. zijn een aanneemsom van € 441.273,57 overeengekomen, die in 18 termijnen zou worden voldaan. Overeengekomen is dat deze termijnen een voorschot inhielden op de uit te voeren werkzaamheden en dat deze termijnen ongeveer gelijk zouden lopen met de stand van het werk. 

In februari 2021 zijn de werkzaamheden aan de woning gestart. Tot en met 5 oktober 2021 heeft B de termijnfacturen 1 tot en met 15 (€ 381.048,95) voldaan.

Op 4 oktober 2025 heeft B een termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 16) ontvangen. B heeft hierover contact opgenomen met de middellijk bestuurder van B B.V., X, omdat deze factuur volgens B geen gelijke tred hield met de voortgang van de werkzaamheden. X stelde zich op het standpunt dat de factuur betaald moest worden en dat anders de werkzaamheden zouden worden gestaakt. Op voorstel van X heeft B de factuur in twee gedeelten betaald, namelijk op 10 oktober 2021 € 13.238,21 en op 26 oktober 2021 nogmaals € 13.238,21.

Naar aanleiding van de ontvangst van een nieuwe termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 17) heeft B op 15 november 2021 wederom contact gehad met X . B stelde zich op het standpunt dat de woning eerst wind- en waterdicht zou moeten zijn, voordat deze factuur betaald zou worden.

Op 17 november 2021 was het saldo van de ING-rekening van A B.V. € 8,01 negatief.

Op 22 november 2021 heeft B na contact met X termijnfactuur 17 toch betaald op deze ING-rekening.

Vervolgens heeft X op 23 november 2021 van de ING-rekening van A B.V. meerdere bedragen overgemaakt, onder meer een bedrag van € 12.876,82 aan de enig aandeelhouder en bestuurder van A B.V., zijnde C B.V.

Op 25 november 2021 heeft X als middellijk bestuurder besloten het faillissement van A B.V. aan te vragen. Bij vonnis van 7 december 2021 is A B.V. in staat van faillissement verklaard.

B vordert dat de rechtbank de middellijk bestuurders van A B.V. (X en C B.V.) hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 26.476,22 met wettelijke rente.

Bestuurdersaansprakelijkheid

In deze zaak is de vraag of X en C B.V. als (middellijk) bestuurders van A. B.V. op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor schade die B lijdt ten gevolge van het niet geheel nakomen door A B.V. van de aannemingsovereenkomst. Die nakoming is niet meer mogelijk, omdat A B.V. in staat van faillissement verkeert.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

Verder rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

Mochten de (middellijk) bestuurders van A B.V. betaling van B verlangen van de termijnfacturen 16 en 17?

Omdat deze facturen voorschotten inhielden op nog uit te voeren werkzaamheden, dient te worden beoordeeld of de (middellijk) bestuurders, toen zij de facturen lieten betalen, wisten of hebben behoren te weten dat A B.V. niet in staat zou zijn de daarop betrekking hebbende betreffende werkzaamheden uit te voeren en dat A B.V. geen verhaal zou bieden. 

B acht van belang dat de termijnfacturen nog niet verschuldigd waren gezien de stand van de werkzaamheden. Die enkele gestelde omstandigheid brengt volgens de rechtbank echter niet mee dat de bestuurders wisten of behoorde te weten dat de bij die voorschotten behorende werkzaamheden niet zouden worden uitgevoerd en A B.V. geen verhaal zou bieden.

De bestuurders hebben de termijnfactuur 16 in twee gedeelten laten betalen op 10 respectievelijk 26 oktober 2021. Over de financiële situatie van A B.V. in oktober 2021 heeft B niets gesteld. Wel staat vast dat X op 26 oktober 2021 nog een bedrag van € 62.000 heeft geleend aan A B.V. en dat X bijna een maand later het faillissement van A B.V. heeft aangevraagd. Uit de geldlening zou kunnen worden afgeleid dat A B.V. een liquiditeitstekort had, maar op zichzelf niet dat het faillissement van A B.V. onafwendbaar was. Kennelijk was er voor X nog voldoende reden om A B.V. van aanvullende middelen te voorzien. De vrij gebruikelijke zekerheden die bij deze geldlening zijn bedongen, wijzen ook niet in de richting van een aanstaand faillissement. B hebben volgens de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd dat (middellijk) bestuurders eind oktober 2021 al wist of behoorde te weten dat de met (voorschot)factuur 16 gemoeide prestatie niet zou worden geleverd en A B.V. geen verhaal zou bieden.

Dat is naar het oordeel van de rechtbank anders ten aanzien van termijnfactuur 17. X heeft die factuur laten betalen op 22 november 2021, drie dagen voordat X heeft besloten het faillissement van A B.V. aan te vragen. Gelet op dit zeer korte tijdsbestek moet ervan worden uitgegaan dat er op 22 november 2021 al sprake was van een zodanig penibele financiële situatie, dat het faillissement van A B.V. onafwendbaar, of op zijn minst zeer waarschijnlijk was. De (middellijk) bestuurders hebben tenminste niet aangevoerd dat de situatie van A B.V. in dat tijdbestek (onvoorzien) wezenlijk is verslechterd. Als (middellijk) bestuurders moeten X en C B.V. worden geacht op de hoogte te zijn van het financiële reilen en zeilen van A B.V. Gelet op de penibele financiële situatie en omdat algemeen bekend is dat concurrente crediteuren in een faillissement vrijwel altijd achter het net vissen, is de rechtbank van oordeel dat X en C B.V. in die omstandigheden had moeten afzien van het laten betalen van voorschot factuur 17. 

De slotsom is dat de vordering van B ter hoogte van € 26.476,42 wordt toegewezen (termijnfactuur 17), te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.

Advies

Als u als crediteur geen verhaal heeft op de vennootschap als uw contractspartij, zijn wellicht de bestuurders aansprakelijk. 

Het is zinvol om daarover advies in te winnen. 

Hetzelfde geldt als u als bestuurder wordt aangesproken door de crediteur van de vennootschap.


Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere ondernemingsrechtelijke vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of andere leden van de sectie Insolventierecht of Geschillenbeslechting.

Marc Janssen