Zorgplicht bank bij opzegging kredietovereenkomst

maandag, 4 oktober 2010

X is grootaandeelhouder van C.U.D.A. B.V. (hierna: “Cuda”). Op of omstreeks 22 januari 2004 is tussen Cuda en ABN Amro een schriftelijke kredietovereenkomst gesloten, op basis waarvan aan Cuda een krediet in rekening-courant ter beschikking is gesteld van EUR 75.000,--. X heeft zich hoofdelijk medeaansprakelijk gesteld als zekerheid voor de terugbetaling van het aan Cuda verstrekte krediet.

In de periode van maart t/m mei 2009 heeft Cuda herhaaldelijk de met de bank afgesproken kredietlimiet overschreden. Cuda is daarop door de bank herhaaldelijk geattendeerd. In mei 2009 heeft de bank haar vordering op Cuda ter incasso overgedragen aan Solveon Incasso B.V. (hierna: “Solveon”). Dit onder meer omdat ondanks herhaaldelijke verzoeken van de bank de overstand op de bankrekeningen van Solveon niet werd aangezuiverd, het toekomstperspectief van Cuda somber werd ingeschat, X een historie heeft van gokverslaving, waarvoor hij (deels) het aan Cuda verleende krediet zou hebben gebruikt, alsmede hij zich bedreigend zou hebben uitgelaten jegens bankmedewerkers. Aangezien de overstand niet werd aangezuiverd, heeft Solveon per brief van 14 mei 2010 namens ABN Amro de kredietovereenkomst met Cuda met onmiddellijke ingang opgezegd.

Na herhaaldelijke sommaties door Solveon, gevolgd door beslaglegging op de echtelijke woning van X, heeft X gezamenlijk met zijn vrouw aan ABN Amro verzocht de hypothecaire inschrijving op hun woning te verhogen. Volgens de raadsman van X kon daarmee de openstaande vordering van de bank worden betaald. ABN Amro heeft dit geweigerd en aan X te kennen gegeven zich daarvoor tot een andere bank te moeten wenden.

In de procedure voor de Rechtbank Dordrecht, waarin de bank van X betaling vordert van de openstaande schuld van Cuda, verweert X zich met de stelling dat ABN AMRO toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met Cuda gesloten kredietovereenkomst. Daarnaast heeft ABN AMRO volgens X gehandeld in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid door daarbij geen enkele termijn in acht te nemen. Voorts heeft X aangevoerd dat de huidige kredietcrisis een onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in artikel 6:258 BW.

Gesteld toerekenbaar tekortschieten van de bank

De rechtbank gaat niet mee in de stellingen van X. In de eerste plaats omdat X aan het gestelde toerekenbare tekortschieten van de bank geen juridische consequenties heeft verbonden, zodat de rechtbank dit verweer passeert.

Beroep op redelijkheid en billijkheid

Ten aanzien van het door X gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid oordeelt de rechtbank dat bij een bancaire relatie als uitgangspunt geldt dat een bank uit hoofde van de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft jegens zowel haar cliënten op grond van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Deze bijzondere zorgplicht geldt volgens de rechtbank tevens ten aanzien van X als hoofdelijk schuldenaar. Bij de beoordeling van de handelwijze van ABN AMRO bij de opzegging van de kredietovereenkomst, alsmede bij de afwikkeling ten opzichte van X als hoofdelijk schuldenaar wordt door de rechtbank aansluiting gezocht bij een aantal van de in de uitspraak van het Hof Arnhem van 18 februari 2003 (LJN AF5233) genoemde factoren. De opzegging zal ten minste moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het onderhavige geval komt volgens de rechtbank ondermeer betekenis toe aan de volgende factoren:

a.  een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zal zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan;

b.  het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer alsmede de mate waarin en de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie relevante omstandigheden;

c.  in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten, bijvoorbeeld door structurele en/of ruime overschrijding van de kredietlimiet;

d.  de kans dat de onderneming van de kredietnemer, al of niet na reorganisatie of doorstart, zal overleven en de mate waarin de kredietnemer een reorganisatie heeft opgestart;

e.  de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of in welke mate de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd;

f.  de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid, en het verloop van de kredietrelatie;

Ten aanzien van de punten a, c en d oordeelt de rechtbank dat – mede gelet op de hierboven geschetste omstandigheden – vaststaat dat er zowel in het (recente) verleden als in de huidige situatie problemen speelden bij Cuda en bij X als hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar. Ten aanzien van het punt e, stelt de rechtbank vast dat zowel de bank als Solveon diverse pogingen hebben ondernomen om te komen tot een minnelijke regeling voor de openstaande schuld, maar dat X aan deze redelijke pogingen geen medewerking heeft willen verlenen.

Ten aanzien van de punten b en f oordeelt de rechtbank nog dat gelet op de “onplezierige communicatie” van de kant van X en het een plicht voor ABN Amro om een (tweede) hypothecaire lening aan X te verstrekken ontbreekt. Bezien in samenhang met de overige hiervoor geschetste omstandigheden, komt de rechtbank tot de conclusie geen sprake is geweest van een schending van de zorgplicht van ABN Amro ten opzichte van X. Het door X gedane beroep op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid faalt om die reden.

Beroep op onvoorziene omstandigheden

Ten aanzien van het door X gedane beroep op onvoorziene omstandigheden, oordeelt de Rechtbank dat slechts indien de gevolgen van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, een overeenkomst kan worden gewijzigd. Dit betekent volgens de rechtbank dat alleen omstandigheden die werkelijk exceptioneel zijn, als “onvoorzien” zijn aan te merken. Daarnaast geldt dat artikel 6:258 lid 2 BW bepaalt dat een wijziging niet wordt uitgesproken voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. De door X gestelde gewijzigde economische situatie kwalificeert volgens de rechtbank niet als een dergelijke omstandigheid, nu als feit van algemene bekendheid wordt aangemerkt dat de economie in het algemeen aan schommelingen onderhevig is. de economische situatie op een zeker moment verslechtert, kan dan ook niet worden gesproken van een werkelijk exceptionele situatie.

De Rechtbank heeft X veroordeeld tot betaling van al hetgeen de bank heeft gevorderd.

Rechtbank Dordrecht d.d. 16 juli 2010, LJN: BN1443, www.rechtspraak.nl