Zonder handtekening niet-ontvankelijk onder de Awb

woensdag, 15 januari 2014

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in ons land, oordeelde dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in hoger beroep niet-ontvankelijk was. De reden? Het college had zijn processtukken niet met de pen ondertekend, maar volstond in plaats daarvan met een ‘digitale’ handtekening. Zij verloor vanwege dit vormvereiste de zaak.

De achterliggende feiten in dit arrest van vorige maand zijn niet relevant. Waar het om gaat, is dat de rechter nog eens herinnert aan de wettelijke eisen bij procesvoering.

Artikel 6:5(1) van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb“) eist dat een beroepschrift wordt ondertekend. Indien niet is voldaan aan dit artikel kan de rechter een indiener op grond vanartikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk verklaren, mits hij de gelegenheid heeft gehad zijn verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Deze regel geldt vanwege artikel 6:24 Awb ook in hoger beroep.

In dit geval ondertekende een bestuursorgaan tot twee keer toe digitaal. Het gebruikte daarbij de volgende formulering, waarvan wij in de praktijk wel vaker varianten zien terugkomen: “Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen, mw. drs. J.A. Hilgersom, secretaris. Deze brief is digitaal vastgesteld, hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief.”

De hoogste bestuursrechter stelde in dat verband vast, dat artikelen 6:5 io. 6:24 Awb een duidelijke fysieke handtekening vergen. Dit vereiste was gesteld opdat duidelijk is wie het (hoger) beroep heeft ingesteld, en of dit de daartoe bevoegde persoon of functionaris is. Die ontbrak. Het bestuursorgaan werd niet-ontvankelijk geoordeeld.

Ter zitting beriep het bestuursorgaan zich nog op artikel 8:40a Awb in samenhang met afdeling 2.3 van de Awb (elektronisch verkeer). Echter dit betoog faalde reeds omdat het hoger beroepschrift niet via de elektronische weg, maar schriftelijk was ingediend.

Ten slotte constateerde de hoogste bestuursrechter dat niet was gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat het bestuursorgaan in verzuim was geweest.

Conclusie: wie niet aan bepaalde vormvereisten voldoet, zoals fysieke ondertekening van (hoger) beroepschriften onder de Awb, bijvoorbeeld in de context van het mededingingsrecht, riskeert het strenge oordeel dat zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is.