WWZ: Teruggedraaid of alleen aangepast?

vrijdag, 22 april 2016

De kritiek op de medio vorig jaar ingevoerde Wet werk en zekerheid (Wwz) is de afgelopen periode toegenomen. Op 21 april jl. heeft Minister Asscher maatregelen aangekondigd. Betekent dit nu dat de Wwz wordt teruggedraaid, zoals sommige ondernemers hopen? Dat is niet het geval. Wel wordt tegemoetgekomen aan enkele (doch niet alle) knelpunten.

De wijzigingen zijn in overleg met de Stichting van de Arbeid tot stand gekomen en zien onder meer op seizoensarbeid en het betalen van de transitievergoeding aan langdurig arbeidsongeschikte werknemers. Er zijn bovendien ook nog andere maatregelen aangekondigd, teneinde knelpunten op de arbeidsmarkt weg te nemen. Deze maatregelen betreffen onder meer het verlichten van de verplichtingen van werkgevers tot re-integratie van zieke werknemers. Ook wordt de Wet minimumloon en vakantiebijslag (WML) aangepast. Hieronder een overzicht.

Ketenbepaling seizoensarbeid

Sinds 1 juli 2015 kunnen werkgever en werknemer maximaal drie tijdelijke contracten binnen een periode van twee jaar afsluiten. Zit tussen de opeenvolgende contracten een kortere periode dan zes maanden, dan telt deze periode mee voor het maximale tijdvak van twee jaar. Vooral de seizoensarbeid heeft onder deze onderbrekingstermijn van zes maanden te lijden. Voorgesteld wordt nu dat de tussenpoos van zes maanden bij cao kan worden teruggebracht naar ten hoogste drie maanden. Het moet dan wel gaan om functies waarin de werkzaamheden als gevolg van klimatologische of natuurlijke omstandigheden seizoensgebonden zijn en gedurende ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden verricht. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan fruitplukkers of strandtenten in de zomer. Met de maatregel moet worden voorkomen dat de arbeidsrelatie van seizoenarbeiders wordt beëindigd, puur en alleen omdat een vast contract overeen moet worden gekomen.

Transitievergoeding langdurige zieke werknemer

Vanaf 1 juli 2015 hebben werknemers recht op een transitievergoeding, wanneer het dienstverband langer dan twee jaar heeft geduurd en de werkgever het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst neemt. Het feit dat de transitievergoeding ook moet worden betaald aan werknemers die langdurig ziek zijn geweest, heeft tot veel weerstand geleid. Sommige werkgevers kiezen er om die reden voor zieke werknemer “slapend” in dienst te houden. Er hoeft dan geen loon meer te worden betaald en voorkomen wordt dat na meerdere jaren loondoorbetaling en re-integratieinspanningen ook nog eens de transitievergoeding moet worden opgehoest.

In eerste instantie vond Minister Asscher deze praktijk ‘onfatsoenlijk’. Inmiddels ziet hij echter ook in dat de werkgevers tegemoet moeten worden gekomen. Om die reden wordt nu voorgesteld dat werkgevers worden gecompenseerd voor de kosten van een bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid verschuldigde transitievergoeding. Die compensatie vindt plaats vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. De werkgever zal zodoende geen aanleiding meer hebben om een werknemer slapend in dienst te houden. Ook wordt bekeken  of de voorgestelde maatregel met terugwerkende kracht in kan  gaan.

Geen transitievergoeding bij vervangende cao-bepaling

Het is nu zo dat een werknemer geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding als in een cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld een eigen vergoedingsregeling of een bovenwettelijke WW-regeling. Als voorwaarde geldt dat de waarde van deze voorziening minimaal gelijk moet zijn aan de transitievergoeding waar een individuele werknemer recht op heeft.

Deze regeling blijkt een belemmering om bij ontslagen om bedrijfseconomische redenen te komen tot collectieve afspraken die recht doen aan het specifieke geval van een sector of onderneming of om te komen tot collectieve afspraken over een “van-werk-naar-werk-traject”. Om deze belemmeringen in de toekomst te voorkomen wordt voorgesteld dat de waarde van de bij cao geregelde voorziening niet gelijkwaardig hoeft te zijn aan de transitievergoeding waar een individuele werknemer recht op zou hebben gehad.

Maatregelen loondoorbetaling bij ziekte

De minister heeft ook maatregelen aangekondigd om een aantal prangende knelpunten die werkgevers rondom de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte ervaren, te verminderen.

Aanpassing tweede spoortraject

Volgens Minister Asscher ervaren veel werkgevers de verplichting om een werknemer te re-integreren in het tweede spoor als belastend en blijkt uit de praktijk dat een dergelijk traject vaak alleen maar wordt ingezet om een loonsanctie te voorkomen. De regelgeving wordt om die reden aangepast.

Werkgever en werknemer zijn nog steeds verplicht voldoende inspanningen te leveren om te re-integreren, maar de werkgever moet er bij voldoende inspanningen op kunnen vertrouwen dat geen loonsanctie wordt opgelegd. Het wel of niet en het moment van inzetten van een tweede spoortraject wordt in de toekomst een keuze van de werkgever en werknemer en wordt op basis van een advies van de bedrijfsarts vastgelegd in het plan van aanpak. Daarbij wordt volgens de minister vertrouwd op het inzicht van de werkgever, werknemer en de bedrijfsarts met betrekking tot het inzetten van re-integratieactiviteiten. Het tweede spoortraject zal zodoende slechts nog worden ingezet als een toegevoegde waarde te verwachten is.

Aanvraag vervroegde IVA-uitkering

Ook wordt een maatregel voor het kunnen aanvragen van een vervroegde IVA-uitkering voorgesteld. Het is nu de werknemer die  na drie weken ziekte een vervroegde IVA-uitkering kan aanvragen, wanneer duidelijk is dat hij in de toekomst niet meer kan werken. Wanneer de aanvraag wordt toegekend, kan de werkgever de IVA-uitkering verrekenen met de loondoorbetaling. In de toekomst wordt het mogelijk dat ook de werkgevers een aanvraag kunnen doen voor de vervroegde IVA-uitkering. Een werkgever hoeft dus niet langer te wachten of de werknemer een aanvraag doet voor een vervroegde uitkering, maar kan zelf actie ondernemen wanneer blijkt dat de werknemer duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.

Premiestelling verzuimverzekering

De premiestelling van de verzuimverzekering wordt aangepakt. Veel kleine en middelgrote bedrijven zijn verzekerd voor de loondoorbetalingverplichting van zieke werknemers. In de praktijk blijkt de premie sterk te fluctueren, waardoor het mogelijk kan zijn dat de werkgever, juist op het moment dat verzuim de onderneming treft, wordt geconfronteerd met onverwachte premiestijgingen. Deze eventuele premiestijgingen hebben te maken met de methode die verzekeraars hanteren om de premie te berekenen. Hanteren de verzekeraars een ‘forward looking’ premiestelling, dan maakt de verzekeraar een schatting van het toekomstig risico en baseert daar vervolgens zijn premie op. Wanneer de verzekeraars echter een methode hanteren waarbij wordt teruggekeken naar het schadeverloop van de voorgaande periode, kan dit leiden tot sterke fluctuaties in premiestelling. Minister Asscher wil om die reden in gesprek gaan met verzekeraars teneinde hen meer te bewegen naar een ‘forward looking’ methode en zo de werkgevers meer zekerheid te bieden op een stabiele premiestelling.

Minimumloon

Het jeugdminimumloon wordt aangepast, omdat de bestaande regeling niet meer zou passen bij de huidige arbeidsmarkt. De belangrijkste herzieningen bestaan eruit dat het jeugdloon van de 18- tot 20-jarigen omhoog gaat en het minimumjeugdloon van de 21- en 22-jarigen wordt afgeschaft.

Daarnaast onderzoekt het kabinet ook de mogelijkheid om een minimumuurloon in te stellen, zodat de hoogte van het minimumloon voor iedereen gelijk en inzichtelijk wordt.

Tot slot wordt ook de minimumloonregeling bij ‘stukloon’ gewijzigd. De huidige systematiek brengt met zich dat een werknemer minder kan verdienen dan het minimumloonniveau. Met de voorgestelde wijziging zal alleen nog betaling van het wettelijk minimumloon per tijdseenheid mogelijk zijn.

Auteur