Wie zijn billen brandt, dient op de blaren te zitten

dinsdag, 15 september 2015

De Rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis in kort geding van 12 augustus 2015 tussen ex-echtgenoten de vrouw – terecht – flink op de vingers getikt door naast handhaving van het door de man gelegde beslag haar tevens te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de man. Wat was de casus? (*1) 

De echtscheiding tussen partijen is eind 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank dient nog een beslissing te nemen over de partneralimentatie en de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Partijen beschikken gezamenlijk over een en/of-beleggingsrekening bij de ING Bank. De rekening kende op 1 maart 2015 een tegoed van € 53.622,72. Op 2 maart 2015 heeft de vrouw, zonder voorafgaande toestemming van de man, de bank verzocht de tenaamstelling van de beleggingsrekening te wijzigen en de rekening enkel op haar naam te stellen. Daarvoor heeft zij een wijzigingsformulier ingediend en de benodigde handtekening van de man vervalst. De vrouw heeft in de daaropvolgende dagen ruim € 44.000,-- overgeboekt naar haar privérekening. Toen de man dit ontdekte heeft hij de Voorzieningenrechter om verlof gevraagd en ook verkregen om conservatoir beslag te mogen leggen op de privébankrekening van de vrouw bij de ING Bank. Dat beslag trof doel voor een bedrag van ongeveer € 12.000,--. De vrouw had in een periode van 11 dagen ruim € 22.000,-- uitgegeven.

De vrouw heeft de man vervolgens in kort geding gedagvaard en opheffing gevorderd van het door hem gelegde beslag en veroordeling van de man in de proceskosten. Volgens de vrouw was zij op grond van boek 1 BW bestuursbevoegd en heeft zij ‘verstandig’ gehandeld, gelet op de huidige staat van de beleggingsmarkt.

De Voorzieningenrechter maakt korte metten met het betoog van de vrouw. De bestuursregeling die opgenomen is in art. 1:97 BW heeft betrekking op echtgenoten, hetgeen partijen sinds de ontbinding van het huwelijk (eind 2014) niet meer zijn. Aangezien de door de vrouw verrichte transacties ná de ontbinding van het huwelijk hebben plaatsgevonden kan de vrouw geen beroep op dit wetsartikel doen, nog daargelaten dat art. 1:97 BW voor een gemeenschappelijke bankrekening bepaalt dat echtelieden gezamenlijk bestuursbevoegd zijn.

De Voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de vrouw onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld door bewust te proberen gelden te verduisteren en door op geen enkele wijze rekenschap  te geven van de redelijkheid en billijkheid die zij als deelgenoot in de ontbonden huwelijksgemeenschap jegens de man als mededeelgenoot in acht dient te nemen.

Ook het beroep van de vrouw op het feit dat zij door het beslag niet in staat is haar belastingschuld te voldoen kan haar niet baten en komt voor haar rekening en risico. De Voorzieningenrechter omschrijft het kort maar krachtig: “wie zijn billen brandt, dient op de blaren te zitten”.

Met een verzoek tot veroordeling van de (ex)-echtgenoot in de proceskosten wordt in familierechtelijke procedures  terughoudend omgegaan. Normaliter worden de proceskosten gecompenseerd. De Voorzieningenrechter ziet in dit geval in het onrechtmatig handelen van de vrouw en in het aanhangig maken van de procedure tot opheffing van het beslag voldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de (forfaitaire) proceskosten aan de zijde van de man (begroot op € 1.101,??). Mijns inziens een zeer terechte beslissing.

De uitspraak van de Voorzieningenrechter in deze zaak wijst (ex-)echtelieden niet alleen op hun verantwoordelijkheden, maar ook op hun bevoegdheden met betrekking tot gemeenschappelijke vermogensbestanddelen. Wordt de lijn overschreden dan is het goed om te weten dat er middelen voorhanden zijn om verdere benadeling te voorkomen en rechters het niet schuwen om waar nodig hard op te treden.

 

(*1) ECLI:NL:RBNNE:2015:3873.