Wie de kaatshandschoen past...

donderdag, 28 mei 2015

Dat het mededingingsrecht zich uitstrekt tot alle sectoren van de economie wordt nog maar eens bevestigd in de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2015.

De Voorzieningenrechter diende zich uit te laten over de vraag of het licentiebeleid van de Nederlandse Kaatsbond KNKB om kaatshandschoenen te maken in strijd is met artikel 6 Mw (kartelverbod) en/of artikel 24 Mw (verbod tot het maken van misbruik van een economische machtspositie).

Kaatsen is een balspel waarbij 2 teams bestaande uit  3 spelers die tegen elkaar spelen op gras, waarbij het ene team de opslag verzorgt en de andere partij vanuit het perk de retourslag. Kaatsen is vooral populair in Friesland en is daar een veel beoefende sport waarbij de sporters kaatshandschoenen dragen. Deze handschoenen dienen aan heel specifieke voorschriften te voldoen, neergelegd in het door de KNKB vastgestelde kaatsreglement, en kunnen momenteel bij drie – door de KNKB aangewezen licentiehouders – worden gekocht.

Eiser is zowel actief in het beoefenen van de kaatssport alsook actief in het vervaardigen van kaatshandschoenen. Eiser wil graag de kaatssport professioneel beoefenen met eigen gemaakte kaatshandschoenen en stelt zich op het standpunt dat aan een sporter de vrije keus moet worden gelaten om het materiaal uit te kiezen waar hij zich prettig bij voelt en daarmee de wedstrijdsport kan beoefenen, zolang het materiaal maar aan bepaalde technische eisen voldoet. Eiser voert aan dat het licentiebeleid van de KNKB deze vrijheid inperkt en in strijd is met de mededingingsregels.

Geen strijd met de mededingingsregels

Volgens de Voorzieningenrechter is niet aannemelijk dat het kaatsreglement de strekking heeft de mededinging op de markt voor kaatshandschoenen te beperken. Ook acht de Voorzieningenrechter niet aannemelijk dat het gevoerde licentiebeleid tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt. De Voorzieningenrechter verwijst daarbij naar recente uitspraken van de Hoge Raad waaruit volgt dat een marktanalyse plaats moet vinden (waaraan hoge eisen worden gesteld). Het marktonderzoek dat eiser heeft laten uitvoeren voldoet niet aan deze standaard omdat uit het rapport niet blijkt of het gaat om de markt voor kaatshandschoenen dan wel de markt voor wedstrijdkaatshandschoenen. Wel blijkt uit het rapport dat licentiehouder B de markt voor wedstrijdkaatshandschoenen domineert (84% van de wedstrijdkaatsers betrekt de handschoenen bij B), maar hieruit kan volgens de Voorzieningenrechter niet de conclusie worden getrokken dat het door de KNKB gevoerde licentiebeleid de mededinging op de gehele markt voor kaatshandschoenen merkbaar beperkt (daargelaten hoe deze markt precies dient te worden afgebakend).

Commentaar

Over de relatie tussen sport en de toepasselijkheid van het mededingingsrecht valt veel te zeggen en gaat het kader van deze blog feitelijk te buiten. Lezenswaardig in dit kader is het proefschrift van M. Olfers uit 2008 over de relatie tussen sport en mededingingsrecht (Sport en mededingingsrecht, Kluwer: Deventer 2008, 500 9789013062717, Serie Recht en Praktijk, nr. 168)

Toch is de uitspraak van de Voorzieningenrechter aardig om te signaleren. Allereerst omdat er – zeker recent - niet heel veel mededingingszaken zijn die betrekking hebben op sportactiviteiten. Daarnaast omdat deze uitspraak wederom laat zien dat de stel- en bewijslat in (civiele) mededingingszaken hoog ligt (dit ondanks het feit dat eiser wel een marktonderzoek had laten uitvoeren ter onderbouwing van zijn vordering). De Voorzieningenrechter sluit weliswaar niet uit dat er mogelijke sprake is van een merkbare marktverstoring op een relevante markt maar komt aan een inhoudelijk oordeel niet toe nu een deugdelijke analyse van eiser op dit punt ontbrak.

Opvallend is voorts dat de Voorzieningenrechter in zijn uitspraak redelijk uitvoerig ingaat op de marktanalyse die nodig is voor de inhoudelijke beantwoording van de vraag of het licentiebeleid daadwerkelijk in strijd is met de mededingingsregels. Strikt genomen was dit niet nodig. Pas na deze overwegingen beantwoord de Voorzieningenrechter de ‘voorvraag’ of de kaatsbond wel kwalificeert als onderneming c.q. ondernemingsvereniging (door de KNKB uitdrukkelijk betwist) in het mededingingsrecht negatief (Is het verstrekken van licenties om wedstrijdkaatshandschoenen te maken een economische activiteit in de zin van de Mededingingswet?).

Wellicht wilde de Voorzieningenrechter met een meer gemotiveerde uitspraak tegemoet komen aan de gevoelens van eiser. Het zat eiser vooral ook dwars dat hij nu genoodzaakt is wedstrijdkaatshandschoenen af te nemen bij licentiehouder B die tevens de vader is van zijn grootste concurrent. Gelukkig voor eiser komt aan deze situatie snel een einde: met ingang van 2016 zal de KNKB het licentiebeleid anders vormgeven en komt een ieder die aan de objectief vastgestelde criteria voldoet in aanmerking voor een licentie om wedstrijdkaatshandschoenen te produceren.