Wetsvoorstel tot afschaffing beperkte opbouw minimum vakantierechten tijdens ziekte en invoering vervaltermijn voor de minimum vakantierechten

woensdag, 29 september 2010

In onze nieuwsbrief van juni 2010 wezen wij u reeds op de ontwikkelingen met betrekking tot de opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte. Ten tijde van die nieuwsbrief lag een wetsvoorstel over dit onderwerp ter advies voor bij de Raad van State. Inmiddels is de tekst en inhoud van het wetsvoorstel bekend en is het door de Tweede Kamer in behandeling genomen. In deze nieuwsbrief wordt de inhoud van het wetsvoorstel toegelicht. 

Voor de achtergrond van dit wetsvoorstel verwijzen wij u graag naar het bericht van mevrouw mr. D.H.C. van de Laar van 29 juni 2010: Over de uitbreiding van vakantiedagenopbouw tijdens ziekte en het voorkomen van verlofstuwmeren.

Wetsvoorstel: vakantiedagen en ziekte, vervaltermijn minimumvakantie

  • Opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte

Thans is de aanspraak op vakantie, voor langdurig zieke en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers beperkt. Een werknemer die wegens ziekte langdurig geen arbeid verricht, bouwt alleen vakantieaanspraken op over de laatste zes maanden van de ziekteperiode. De werknemer die de bedongen arbeid wegens ziekte slechts gedeeltelijk verricht, krijgt alleen vakantiedagen over de tijd dat hij daadwerkelijk arbeid verricht.

In het wetsvoorstel wordt voorgesteld geen onderscheid meer te maken in opbouw van minimum vakantierechten voor zieke en gezonde werknemers. De beperkte opbouw van vakantierechten voor gedeeltelijk en geheel arbeidongeschikte werknemers wordt geschrapt. Zieke werknemers krijgen daardoor dezelfde aanspraken op minimum vakantie als andere werknemers. Het verwerven van vakantieaanspraak wordt gekoppeld aan het recht op loon, welk recht ook in geval van ziekte bestaat. Het betreft hier de minimum vakantie (20 vakantiedagen per jaar, uitgaande van een fulltime dienstverband).

  • Opnemen vakantie tijdens ziekte

Het wetsvoorstel beoogt om meer duidelijkheid te creëren terzake het opnemen van vakantie tijdens ziekte. Voor (gedeeltelijke) zieke werknemers is, volgens de regering, het opnemen van vakantie net als voor gezonde werknemers van belang, omdat de recuperatiefunctie van vakantie ook voor zieke werknemers – die in beginsel gehouden zijn tot reïntegratie – betekenis heeft. Werknemers die geheel arbeidsongeschikt zijn voor de bedongen arbeid zijn in beginsel gehouden om andere (passende) werkzaamheden te verrichten of om mee te werken aan inspanningen gericht op reïntegratie. Voor deze reïntegrerende “zieke” werknemers heeft vakantie hetzelfde doel als voor gezonde werknemers, namelijk recuperatie: herstellen c.q. uitrusten van verplichtingen voortvloeiende uit de dienstbetrekking, ook al zijn dat andere verplichtingen dan het verrichten van de bedongen (eigen) arbeid. Als de zieke werknemer tijdelijk vrijgesteld wil worden van zijn verplichtingen tot reïntegratie dient hij hiervoor vakantie op te nemen, net als de werknemer die tijdelijk wil worden vrijgesteld van zijn arbeidsverplichtingen.

Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers c.q. arbeidsongeschikte werknemers die gedeeltelijk hun eigen werk (de bedongen arbeid) kunnen verrichten, zullen bij het opnemen van de minimum vakantie de vakantiedagen voor de gehele arbeidsduur (en dus niet alleen voor de uren dat daadwerkelijk arbeid wordt verricht) in mindering worden gebracht op de minimum vakantieaanspraken. Dat is het logische gevolg van het vervallen van de beperkte opbouw. Het is de bedoeling dat in de toekomst de zieke werknemer het volledige minimum aan vakantie per jaar opbouwt.

  • Vervaltermijn minimumvakantie

De huidige vakantiewetgeving bevat geen verplichting voor de werknemer om vakantie op te nemen. Er is dus geen vervaltermijn in de huidige wetgeving opgenomen, wel een verjaringstermijn (vijf jaren). Om te bevorderen dat álle, dus gezonde én re-integrerende werknemers daadwerkelijk met regelmaat en tijdig recupereren door vakantie op te nemen, is een vervaltermijn voorgesteld, voor de minimum vakantiedagen. Daarmee dient volgens de regering voorkomen te worden dat het opnemen van vakantie voor meerdere jaren wordt uitgesteld, met mogelijke gevolgen van uitval wegens overbelasting.

De vervaltermijn bedraagt zes maanden. Concreet betekent een vervaltermijn van zes maanden dat alle werknemers binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de minimumaanspraak is verworven, hun (resterende) minimum vakantieaanspraak moeten effectueren. Deze vervaltermijn zal van toepassing zijn op minimum vakantiedagen, die vanaf de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden opgebouwd. Zo zullen, bijvoorbeeld in geval van inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2011, de dagen opgebouwd over 2011, op 1 juli 2012 komen te vervallen. De vóór de datum van deze wijziging opgebouwde minimum vakantiedagen vallen hier buiten (overgangsrecht). Daarvoor blijft de verjaringstermijn gelden.

Deze vervaltermijn geldt ook voor de arbeidsongeschikte werknemer. De regering beoogt dat ook zieke werknemers, die reïntegreren, daadwerkelijk tijdig hun minimum vakantierecht effectueren.

Uitzondering op deze vervaltermijn geldt voor de situatie dat de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest om zijn minimum vakantie op te nemen. Het gaat hierbij om situaties dat de werknemer gedurende het gehele opbouwjaar en de daarop volgende zes maanden om medische redenen of in verband met andere bijzondere omstandigheden niet in staat is geweest om zijn minimum vakantierecht te benutten. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als het door toedoen van de werkgever niet mogelijk is geweest (voldoende) vakantie op te nemen. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij langdurige zieke werknemers, die gedurende die periode geheel zijn vrijgesteld van verplichtingen tot reïntegratie. Voor hen is reïntegratie en daarmee ook recuperatie (in de zin van het uitrusten van verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst) niet aan de orde. Het gaat hier om werknemers die om medische redenen niet in staat zijn de eigen arbeid te verrichten en evenmin andere duurzame benutbare mogelijkheid hebben om naar arbeid terug te keren.

De regering gaat ervan uit dat voor de meeste werknemers zal gelden dat zij bij (een dreiging van) langdurige ziekte wèl gehouden zijn tot het verrichten van vervangende arbeid c.q. andere reïntegratieverplichtingen. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal de werkgever niet gehouden zijn om de werknemer te begeleiden naar een terugkeer naar arbeid, omdat daartoe om medische redenen geen mogelijkheden bestaan. Het betreft gevallen waarin het evident is dat vanwege zeer beperkte zelfredzaamheden reïntegratie niet aan de orde kan zijn.

Gevolgen voor u als werkgever

Rekening houdende met de beoogde wijziging blijft het in de toekomst van belang om in de registratie van vakantie en verlof onderscheid te maken tussen bovenwettelijke en minimum vakantiedagen; hetzelfde geldt voor de verlofregelingen. Immers, ten aanzien van de bovenwettelijke vakantiedagen blijft het mogelijk individuele afspraken te maken met de werknemer.

Tot slot

Het wetsvoorstel wordt momenteel behandeld in de Tweede Kamer. Pas na aanneming in de Eerste Kamer zal het wetsvoorstel in werking treden en tot wet worden.

Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen op dit gebied. Heeft u vragen over uw verlofregeling of andere onderwerpen, dan kunt u natuurlijk altijd contact opnemen met de sectie arbeidsrecht van BANNING advocaten.