Wetsvoorstel over WW en ontslagvergoeding

woensdag, 29 september 2004

"Kabinet steekt fik in arbeidsverhoudingen", "Einde van het Sociaal Plan", "Onverantwoord" 

aldus in chronologische volgorde FNV, CNV en VNO-NCW, de grootste werknemers- en werkgeversorganisaties in Nederland, naar aan-leiding van een kabinetsbesluit over WW en ontslagvergoeding dat officieel bekend werd gemaakt op Prinsjesdag.

Dit besluit houdt, kort gezegd, in dat vanaf 1 april 2005 alle vormen van ontslagvergoeding (als bedrag ineens of als periodieke aanvulling op een uitkering) verrekend gaan worden met de WW-uitkering. Anders gezegd: zolang als de ontslagvergoeding toereikend is, vervalt de WW-aanspraak.

Als reden voor dit besluit noemt het kabinet de verwachting dat werkloze werknemers actiever zullen gaan solliciteren en eerder een baan zul-len accepteren. Realistischer lijkt het dat het wetsvoorstel een verkapte bezuinigingsoperatie is. Het kabinet verwacht hiermee circa 150 mil-joen euro per jaar te besparen.

Deze wet "Anti-cumulatie Ontslagvergoeding en WW" is zeer omstreden, zoals ook blijkt uit de hierboven weergegeven citaten. Het kabinet predikt al geruime tijd de wens om de arbeids-mobiliteit te vergroten. Die wens valt met dit wetsvoorstel moeilijk te rijmen, omdat alge-meen wordt aangenomen dat werknemers zich meer dan ooit zullen verzetten tegen ontslag, zoals de vakorganisaties nu al in verband met reorganisaties voorspellen.

Kort geleden kondigde het kabinet aan de ont-slagvergoeding te halveren om de kosten voor werkgevers te verlagen. Van de Anti-cumulatiewet valt juist een stijging van deze kosten te verwachten, omdat werknemers min-der voordeel van de ontslagvergoeding zullen hebben en daarom wellicht op hogere vergoe-dingen zullen aansturen. De bezuinigingseffec-ten vallen ook nog te bezien. Nu al wordt alge-meen verwacht dat het aantal ontslagprocedures zeer aanzienlijk zal stijgen, omdat werkgever en werknemer geen regeling kunnen bereiken en zeer aanzienlijk zal stijgen, omdat werkgever en werknemer geen regeling kunnen bereiken en werknemers zich hevig zullen verzetten tegen ontslag. Zeer recent nog schreef een kanton-rechter dat van alle ontbindingsprocedures (80.000 in 2003) 80% gevoerd wordt naar aan-leiding van een regeling tussen partijen. De resterende 20% (16.000 procedures in 2003) wordt inhoudelijk uitgevochten en beslist. Een aanzienlijke stijging van dit aantal kan de rech-terlijke macht niet aan en dus moeten er meer rechters komen. Daar gaat dan de bezuiniging! Tot die rechters er zijn, zullen de wachttijden bij de rechter oplopen en dus ook de kosten voor de werkgever evenredig stijgen.

Tenslotte en zeker niet in de laatste plaats zijn vraagtekens te zetten bij de rechtvaardigheid van het besluit. Voor lager betaalde werknemers zijn de financiële effecten van deze wet veel groter dan voor goed betaalde toppers. Voor oudere werknemers die worden ontslagen en moeilijk een andere baan vinden, pakt de wet slechter uit dan voor goed opgeleide jongere werknemers. Die vinden doorgaans snel een andere baan en ondervinden dan van deze wet weinig nadelig effect.

Zeer recent schreef Prof. Barendrecht een prik-kelend betoog dat voor de arbeidsmarkt een deugdelijk systeem van adequate ontslagvergoe-dingen te prefereren is boven toename van procedures of verdere ontslagbescherming. Een toename van procedures, vertragingen daarvan en kosten voor deze procedures zijn –volgens Barendrecht- social wastes, verspillingen. Daar lijkt het kabinet met dit wetsvoorstel nu juist voor te hebben gekozen. Hopelijk weet de Tweede Kamer het kabinet op andere gedach-ten te brengen. De eerste aanzet daartoe is in-middels gegeven door de CDA-fractie, die de voorgestelde maatregel wil beperken tot ont-slagvergoedingen die meer bedragen dan één netto jaarsalaris.

 

Auteur