Wetsvoorstel deregulering beoordeling arbeidsrelaties: VAR verdwijnt per 1 januari 2016

dinsdag, 29 september 2015

Naar verwachting zal per 1 januari 2016 de wet- en regelgeving voor de VAR gaan veranderen. Aanleiding hiervoor is het in 2014 ingediende Wetsvoorstel deregulering beoordeling arbeidsrelaties (voorheen: Wetsvoorstel invoering Beschikking geen loonheffing). De Tweede Kamer heeft het Wetsvoorstel inmiddels goedgekeurd. Het is nu afwachten op de beslissing van de Eerste Kamer.

In deze bijdrage gaan wij in op het Wetsvoorstel en de gevolgen daarvan voor de praktijk.  

Achtergrond

Vanwege sociaal- en fiscaalrechtelijke redenen wordt een onderscheid gemaakt tussen zelfstandigen en werknemers. Het onderscheid is relevant voor de vraag of sprake is van een inhoudings- en premieplicht voor de loonheffingen en een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. In de praktijk wordt bij de beoordeling van de arbeidsrelatie gebruik gemaakt van de Verklaring Arbeidsrelatie (“VAR”). De VAR biedt de opdrachtgever zekerheid c.q. vrijwaring dat inhouding en afdracht van loonheffing en premies voor werknemersverzekeringen achterwege kan blijven. Dit geldt ook als achteraf blijkt dat de arbeidsrelatie (toch) als een dienstbetrekking moet worden aangemerkt. Bij een dergelijke situatie kan de Belastingdienst momenteel enkel de opdrachtnemer aanspreken. De opdrachtgever blijft gevrijwaard. Mede gelet op deze ‘handhavingsbeperking’ is de regering voornemens om met ingang van 1 januari 2016 de VAR-systematiek te vervangen door een nieuw wetgevingsinitiatief.  

Wetsvoorstel deregulering beoordeling arbeidsrelaties

Eind 2014 hebben wij u eerder over de vervanging van de wettelijke regeling van de VAR bericht. In eerste instantie zou de Beschikking geen loonheffingen (“BGL”) in de plaats van de VAR komen. Vanwege de kritiek op de administratieve lasten en de regeldruk die het toetsen van de arbeidsrelatie met zich mee zou brengen, is besloten om van de BGL af te zien. Inmiddels is er een alternatief voor de BGL geïntroduceerd. Uitgangspunt blijft dat de VAR wordt afgeschaft.   

Het alternatief, het Wetsvoorstel deregulering beoordeling arbeidsrelaties (“het Wetsvoorstel”), houdt op hoofdlijnen in dat opdrachtgevers medeverantwoordelijk worden gemaakt voor de aard van de arbeidsrelatie met hun opdrachtnemers. Ten gevolge hiervan dienen opdrachtgevers en opdrachtnemers in de toekomst de (uitvoering van de) werkzaamheden vorm te geven in een vooraf door de Belastingdienst goedgekeurde overeenkomst.  

Een dergelijke overeenkomst kan worden opgesteld en voorgelegd door belangenorganisaties van opdrachtgevers en van opdrachtnemers, individuele opdrachtgevers of hun intermediairs. De Belastingdienst beoordeelt de overeenkomst en geeft vervolgens uitsluitsel of de opdrachtgever loonheffingen moet inhouden en betalen. Een overeenkomst op grond waarvan een opdrachtgever geen loonheffingen hoeft in te houden, publiceert de Belastingdienst geanonimiseerd als voorbeeldovereenkomst op haar website. Het staat opdrachtgevers en opdrachtnemers vrij om straks gebruik te maken van een dergelijke voorbeeldovereenkomst. Het is eveneens mogelijk om een zelf opgestelde overeenkomst voor te leggen aan de Belastingdienst. Deze keuze wordt aan de betreffende opdrachtgever en de opdrachtnemer overgelaten.  

Het voordeel van het gebruik van een voorbeeldovereenkomst is dat er vooraf (meer) zekerheid wordt verkregen over de fiscale kwalificatie van de arbeidsrelatie. Vereist is echter wel dat de tekst van de voorbeeldovereenkomst niet wordt gewijzigd. Daardoor zou namelijk afbreuk kunnen worden gedaan aan de inhoud van de overeenkomst. Bovendien dienen opdrachtgever en opdrachtnemer hun samenwerking feitelijk uit te voeren in lijn met de voorbeeldovereenkomst.  

De overeenkomst wordt door de Belastingdienst inhoudelijk beoordeeld op de elementen die van belang zijn om de vraag te kunnen beantwoorden of er sprake is van de plicht van de opdrachtgever tot het afdragen of voldoen van loonheffingen. De wettelijke criteria om te beoordelen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst en de bijbehorende rechtspraak zijn daarbij van belang, alsmede de intentie van partijen en de wijze waarop daaraan feitelijk uitvoering wordt gegeven. Enkele factoren die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst, zijn de volgende:

  • de opdrachtnemer mag zich niet of alleen met toestemming van de opdrachtgever laten vervangen;
  • op de opdrachtgever rust de verplichting om loon te betalen;
  • de opdrachtgever geeft geen aanwijzingen aan de opdrachtnemer over bijvoorbeeld de werktijd;
  • de opdrachtnemer krijgt doorbetaald bij ziekte en vakantie;
  • de opdrachtgever is aansprakelijk voor de schade die de opdrachtnemer veroorzaakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.  

De beoordeling van de overeenkomst wordt naar verwachting binnen 6 weken door de Belastingdienst schriftelijk kenbaar gemaakt. In de beoordeling wordt tevens aangegeven voor welke termijn een vrijwaring voor de loonheffingen geldt. Hoogstwaarschijnlijk gaat deze termijn vijf jaar bedragen, mits de toepasselijke wet- of regelgeving gedurende die vijf jaar niet wijzigt.  

Indien bij een controle blijkt dat de feitelijke situatie afwijkt van de afspraken uit de overeenkomst, zal de opdrachtgever alsnog door de Belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd kunnen krijgen. Dit zal met name het geval zijn indien de arbeidsrelatie - gelet op de feitelijke uitvoering – moet worden gekwalificeerd als een (fictieve) dienstbetrekking.   

Tot slot

Tot zover het Wetsvoorstel deregulering beoordeling arbeidsrelaties. In tegenstelling tot de VAR zal de verantwoordelijkheid voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie deels verschuiven naar de opdrachtgever. Partijen zijn nu gezamenlijk verantwoordelijk voor de juiste kwalificatie. Het wetsvoorstel zal hoogstwaarschijnlijk per 1 januari 2016 in werking treden. Tot die tijd blijft de huidige VAR-systematiek van toepassing. Wij houden u uiteraard op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen.  

Heeft u vragen of wilt u meer informatie naar aanleiding van dit artikel, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met de advocaten van de sectie Arbeidsrecht van BANNING.   

mr. D.I.M.E. (Debby) Hermans

Karen Knook